Reële zorgtarieven bij inkoop van jeugdhulp

13-07-2020

Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Jeugdwet door het bieden van jeugdhulp. Gemeenten leveren deze jeugdhulp in de praktijk niet zelf maar kopen dit in bij jeugdhulpaanbieders. Daarbij dienen gemeenten als overheidsorganen rekening te houden met de aanbestedingsplicht. Tussen de zorgaanbieders en gemeenten ontstaat in dergelijke procedures regelmatig discussie over de prijs voor de levering van jeugdhulp.

Op grond van artikel 2.12 van de Jeugdwet moeten gemeenten een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van jeugdhulp bepalen. In dat kader dient de prijs reëel te zijn. Dit roept de vraag op, wat is een reële prijs?

Deze vraag stond ook centraal in een uitspraak van het Hof Den Haag van 7 juli jl. Dit was een zaak tussen een aantal gemeenten in de regio Haaglanden en verschillende aanbieders van jeugdzorg. De gemeenten waren in april 2019 een gezamenlijke open house procedure gestart voor jeugdhulp voor de periode 2020-2024. Volgens de jeugdhulpaanbieders was de tariefstelling in deze aanmeldprocedure van de gemeenten te laag en niet kostendekkend. Zij stelden dat zij niet langer in staat zouden zijn goede jeugdhulp te verlenen als de tarieven niet zouden worden aangepast en dat zij dan structureel verlies zouden lijden. In eerste aanleg gaf de voorzieningenrechter de zorgaanbieders gelijk. De gemeenten moesten daarom opnieuw tarieven bepalen voor de inkoop van jeugdhulp en deze in overeenstemming brengen met de Jeugdwet, zodat de tarieven alsnog kostendekkend en reëel zouden worden.
De voorzieningenrechter kwam onder andere tot deze conclusie omdat door de gemeenten in de onderbouwing van het tarief verschillende definities werden gehanteerd bij de diverse cijfers en percentages. Daardoor werden als het ware ‘appels met peren vergeleken’. Ook oordeelde de voorzieningenrechter dat onvoldoende rekening is gehouden met regionale en organisatie-specifieke aspecten die van invloed zijn op de kostprijs van de jeugdhulp.

De gemeenten zijn tegen deze uitspraak van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen.
Het hof benadrukt dat bij het bepalen van een reële kostprijs gekeken moet worden naar de in te kopen jeugdhulp zoals die dient te worden verleend door de groep van aanbieders van de desbetreffende vorm van jeugdhulp om aan de vraag in de regio te kunnen voldoen. Net als de voorzieningenrechter is het volgens het hof van belang dat organisatie-specifieke aspecten en regionale omstandigheden worden meegewogen bij de vaststelling van de tarieven. Volgens het hof heeft de gemeente onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij reële, kostendekkende tarieven hebben vastgesteld. Het hof oordeelt tot verwerping van alle bezwaren die de inkopende gemeenten hadden ingebracht.

Het hof geeft op deze wijze dus enige richting aan wanneer de prijs voor jeugdhulp reëel is – namelijk als rekening wordt gehouden met regionale en organisatie-specifieke aspecten bij het opstellen van de prijs. Toch blijft enigszins onduidelijk in welke gevallen zorgtarieven bij inkoop van jeugdhulp nu precies reëel zijn en met welke kostprijselementen de gemeenten daarbij moeten betrekken. Ook de wetgever heeft dit probleem gesignaleerd. In het nieuwe wetsvoorstel Maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015 is daarom opgenomen dat ook voor jeugdhulp in een AMvB kan worden uitgewerkt wanneer sprake is van een reële prijs (hierover schreven wij deze Legal Update). In dit besluit zal naar verwachting, vergelijkbaar als onder de Wmo 2015, nader worden uitgewerkt wanneer sprake is van een reële prijs. 

Dit is een Legal Update van Bastiaan Wallage en Julia Krijbolder.

Download als pdf

Specialist(en)