Familie kan ziekenhuis niet dwingen omstreden COVID-19 behandeling toe te passen

04-06-2021

Op 20 mei 2021 deed de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak in kort geding, waarin de behandeling van een met COVID-19 besmette patiënt centraal stond. De procedure was aangespannen door de familie van een patiënt die in maart van dit jaar was opgenomen in het ziekenhuis met een COVID-19 infectie en de situatie van de man was sindsdien verslechterd. De familie verlangde van het behandelteam van het ziekenhuis dat het zogenoemde MATH+ protocol zou worden toegepast, een omstreden behandelwijze waarbij (onder meer) de middelen Ivermectine, Hydroxychloroquine en Vitamine C worden toegediend.
Het ziekenhuis weigerde deze behandeling uit te (laten) voeren.

De rechtbank stelt – terecht – voorop dat het in deze kwestie gaat om de juridische vraag of de familie het ziekenhuis kan dwingen tot (het faciliteren van) een medische behandeling waar het ziekenhuis om medische redenen niet achter staat. Uitgangspunt voor deze beoordeling is het goed hulpverlenerschap dat het ziekenhuis in acht dient te nemen in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
De familie is van mening dat het weigeren van deze behandeling in strijd is met het goed hulpverlenerschap. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Door de artsen is uitgebreid intern overleg gevoerd en er zijn vakgenoten in andere ziekenhuizen geconsulteerd, zowel in het kader van intercollegiaal overleg als in de vorm van een formele second opinion. Ook is er contact geweest met relevante beroepsverenigingen en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De in Nederland geldende protocollen voor de behandeling van COVID-19 verzetten zich tegen de door de familie gewenste behandeling en ook de IGJ is van oordeel dat behandeling met deze geneesmiddelen in strijd is met de professionele standaard en een risico voor de kwaliteit van zorg oplevert.

De rechtbank concludeert dan ook dat er door de artsen zorgvuldig is gehandeld en dat het inzetten dan wel faciliteren van deze behandeling in het ziekenhuis niet kan worden afgedwongen. Door de familie is gesteld dat zij andere artsen bereid hebben gevonden deze behandeling wel te verrichten en het behandelteam heeft aangegeven dat de medische conditie van de patiënt het toelaat om hem over te plaatsen naar een ander ziekenhuis. Voor de familie blijft dus de optie open om de geneeskundige behandelingsovereenkomst met dit ziekenhuis te beëindigen en de behandeling van de man elders voort te zetten, zo overweegt de rechtbank. De vorderingen worden afgewezen.

De uitspraak van de voorzieningenrechter laat duidelijk zien dat artsen niet gedwongen kunnen worden om een behandeling uit te voeren die niet in lijn is met de in Nederland geldende medisch professionele standaard. Deze beoordeling komt aan de medische beroepsgroep toe en hierbij dient het patiëntbelang centraal te worden gesteld. Door de rechter wordt slechts marginaal getoetst of de beoordeling zorgvuldig tot stand is gekomen.

Dat oordeel sluit aan bij een andere recente uitspraak over de behandeling van een patiënt met een COVID-19 infectie, waarbij de familie in kort geding vorderde dat de behandeling zou worden voortgezet terwijl die volgens de behandelend artsen medisch zinloos was. Ook daar oordeelde de rechter dat van de medische beroepsgroep niet kan worden verlangd dat een behandeling wordt verricht die in strijd is met de medisch professionele standaard, zoals het geval is bij een zinloze behandeling. De rechter toetst in deze situaties slechts marginaal of het oordeel van de artsen op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Het primaat om te besluiten over de behandelmogelijkheden ligt daarmee wat ons betreft waar het hoort: bij de medische beroepsgroep.

Dit is een Legal Update van Jonna De Clerck en Stijn Könning.

Download als pdf

Specialist(en)