Hoge Raad oordeelt: geen schenking bij het aangaan van beperkte gemeenschap van bankrekening

12-05-2021

In onze Legal Update van 25 november 2020 informeerden wij u al over de conclusie van de Advocaat-Generaal over de vraag of het aangaan van een beperkte gemeenschap van bankrekening leidt tot een schenking. De man en vrouw in kwestie waren bij huwelijksvoorwaarden een beperkte gemeenschap van goederen overeengekomen, bestaande uit een bankrekening (een en/of-rekening). Kort voor het huwelijk maakte de man € 10 miljoen over naar deze rekening, waarna de vrouw een aanslag schenkbelasting van de Belastingdienst ontving. Het gerechtshof oordeelde op 10 december 2019 dat deze aanslag ten onrechte was opgelegd (zie ook onze Legal Update van 24 januari 2020 over die hofuitspraak). De Advocaat-Generaal (hierna: de A-G) concludeerde tot ongegrondverklaring van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde cassatieberoep. De motivering van die conclusie kunt u teruglezen in de Legal Update van 25 november 2020. 

De Hoge Raad heeft zich op 7 mei 2021 ook uitgesproken over deze kwestie en heeft het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond verklaard. 

De Hoge Raad gaat eerst in op een uitspraak uit 1959 waarnaar het gerechtshof verwees. In die uitspraak was geoordeeld dat bij het aangaan van een algehele gemeenschap van goederen geen sprake is van een schenking, omdat geen sprake is van de eenzijdige vermogensverschuiving die kenmerkend is voor bevoordeling door schenking. De echtgenoot die door het huwelijk zou zijn bevoordeeld, kan de huwelijksgemeenschap niet eenzijdig beëindigen en zolang de gemeenschap in stand blijft, kan deze echtgenoot niet beschikken over het voordeel dat de boedelmenging voor hem of haar meebrengt als ware een aan hem of haar afzonderlijk toekomend vermogensbestanddeel. Daarnaast brengt de huwelijksgemeenschap volgens Hoge Raad een rechtsverhouding mee die tot verdere vermogensverschuivingen tussen echtgenoten kan leiden (door baten en lasten die van beide zijden kunnen opkomen), zodat het resultaat van de vermogensverschuivingen pas bij het einde van de gemeenschap kan worden vastgesteld.

De Hoge Raad overweegt verder dat een gemeenschap die slechts één vermogensbestanddeel bevat (zoals in het onderhavige geval één en/of-rekening), niet het kenmerk vertoont dat andere opkomende baten en lasten het resultaat van de vermogensverschuiving kunnen beïnvloeden. Daarnaast kan volgens de Hoge Raad alleen sprake zijn van een belastbare schenking als de belastinginspecteur aannemelijk kan maken dat het vermogen van de begunstigde op het door de inspecteur gestelde moment tot een op dat moment bepaalbaar bedrag is bevoordeeld.

Het tot stand brengen van de huwelijksgemeenschap zoals in het onderhavige geval deed volgens de Hoge Raad een aan ieder van de echtgenoten toekomende vordering op de bank ontstaan ten aanzien van het gehele saldo van de bankrekening, welk saldo gedurende de huwelijksgemeenschap kon wijzigen. De omstandigheid dat de man ten aanzien van de helft van dat saldo geen vorderingen tegen de vrouw had kunnen instellen, vormt geen toereikende grond om aan te nemen dat de vrouw op het moment van ontstaan van de huwelijksgemeenschap kon beschikken over de helft van het toen aanwezige saldo, of daarop aanspraak kon maken als ware het een haar afzonderlijk toebehorend vermogensbestanddeel.

Het oordeel van het gerechtshof dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich bij het ontstaan van de gemeenschap een vermogensverschuiving heeft voorgedaan waarbij de vrouw ten laste van de man is verrijkt met een bedrag gelijk aan de helft van het toen op de bankrekening staande saldo, geeft volgens de Hoge Raad dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 

Dit is een Legal Update van Anke Mulder en Sharon Verhoef.

Download als pdf

Specialist(en)