Nieuwsbrief
Nieuwsbrief Betaalfraude - september 2025
Dit is de nieuwsbrief Betaalfraude 2025 uitgegeven door team Banking & Finance. Met in deze editie onder andere de meest recente wijzigingen aan de conceptteksten PSD3 en PSR en verschillende uitspraken waarin klanten en derden (fraude)dossiers of andersoortige informatie opvorderen bij financiële instellingen. In deze nieuwsbrief gaan wij in op de belangrijkste ontwikkelingen.
Wet- en regelgeving
1. Wijzigingen conceptteksten PSD3 en PSR
In onze vorige nieuwsbrief beschreven wij dat het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Europese Raad zich in een trialoog bevonden ten aanzien van de conceptteksten van PSD3/PSR. De eerste lezing van de conceptteksten is aangenomen door het Europees parlement in april 2024. De Europese Raad heeft op 13 juni 2025 wijzigingen op de conceptteksten gepubliceerd.
Een van de voorgestelde wijzigingen is dat een betaaldienstverlener niet binnen 10, maar binnen 15 werkdagen dient te handelen bij een melding van een ongeautoriseerde betalingstransactie (zijnde terugstorten van het betreffende bedrag of gemotiveerd afwijzen van het terugbetalingsverzoek). Een andere wijziging betreft de verplichting voor betaaldienstverleners om fraude-gerelateerde informatie te delen en een systeem op te zetten waarbij IBAN-nummers gecontroleerd kunnen worden op overeenstemming met de naam van de bankrekeninghouder. Verder is voorgesteld dat ook elektronische communicatiediensten, zoals internetaanbieders en berichtenplatforms, onder het toepassingsgebied van fraudepreventie komen te vallen. Ten aanzien van slachtoffers van 'spoofing' is voorgesteld dat ook in gevallen van spoofing met de naam, het e-mailadres, het telefoonnummer, de website of de mobiele applicatie slachtoffers een recht op volledige terugbetaling hebben.
In het kader van transparantie is voorgesteld dat voortaan alle kosten en wisselkoersen bij geldautomaten vóór de transactie zichtbaar moeten zijn. De Raad heeft daarom aanvullende bepalingen voorgesteld over de kosten en regels van betaalkaartschema’s (schemes), waardoor consumenten beter geïnformeerde keuzes kunnen maken.
Met de voorgestelde wijzigingen van de Raad zullen de conceptteksten nu worden doorgezet naar het Europees Parlement voor de definitieve vaststelling van de tekst.
2. Motie in gesprek-check bij overboekingen aangenomen
In onze vorige nieuwsbrief hebben wij toegelicht dat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en NLconnect, de branchevereniging voor telecommunicatie, hebben gepleit voor een wetswijziging die banken in staat stelt te controleren of een klant telefonisch in gesprek is tijdens een overboeking. Op 27 mei 2025 is de motie hiervoor aangenomen. Door de voorgestelde wetswijziging kunnen banken binnenkort een ‘in gesprek-check’ uitvoeren, wat schade door bankhelpdeskfraude zou kunnen voorkomen. De Tweede Kamer heeft de regering verzocht om de wetswijziging uiterlijk begin 2026 aan de Kamer aan te bieden.

Rechterlijke uitspraken over betaalfraude
Hieronder lichten wij een aantal belangrijke uitspraken over betaalfraude uit die in de afgelopen periode zijn verschenen.
Eiser is slachtoffer geworden van fraude waarbij gebruik is gemaakt van een Nederlandse bankrekening. De bank heeft na een verzoek van eiser de NAW-gegevens verstrekt waarin de naam en het adres van de fraudeur staan. Eiser probeert beslag te leggen op een bankrekening van de fraudeur in Polen maar krijgt van de Poolse bank te horen dat alleen de naam van de rekeninghouder niet genoeg is om beslag te leggen op de rekening op grond van Pools recht. Eiser heeft om die reden een kopie van het identiteitsdocument van de fraudeur nodig. Eiser spreekt de bank in kort geding aan en vordert verstrekking van een kopie van het identiteitsdocument (primair via artikel 194 e.v. Rv en subsidiair via artikel 6:162 BW en de bijzondere zorgplicht).
Eiser voert aan dat de bank onrechtmatig zou handelen door geen informatie te verstrekken die bij haar bekend is die voor eiser nodig is om een vonnis ten uitvoer te leggen in Polen. De bank verweert zich hiertegen door te stellen dat zij niet bevoegd is een kopie van de identiteitskaart te verstrekken op grond van de AVG en dat dit buiten het doel en kader van haar Wwft-verplichtingen valt.
De voorzieningsrechter stelt eiser in het gelijk en overweegt dat de bank onrechtmatig heeft gehandeld, omdat door de noodzakelijke gegevens niet te verstrekken eiser niet in staat is om het vonnis in Polen ten uitvoer te leggen. De bijzondere zorgplicht van banken tegenover derden wordt daarmee wat ons betreft vergaand opgerekt, hoewel dat in deze zaak hoofdzakelijk lijkt te zijn gebeurd door de specifieke omstandigheden in ogenschouw te nemen. Bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van de AVG dient volgens de voorzieningenrechter een belangenafweging te worden gemaakt. Het belang van de gegevensbescherming van de fraudeur weegt volgens de voorzieningenrechter in deze zaak niet op tegen het belang van eiser om zijn vordering te kunnen verhalen. Dat er – zoals de bank aanvoerde – mogelijk nog een andere manier is om aan deze persoonsgegevens te komen, doet hier volgens de voorzieningenrechter niet aan af. De bank wordt veroordeeld tot het verstrekken van een kopie van het legitimatiebewijs. Deze uitspraak past in een tendens waarbij derden en bankklanten (al dan niet via artikel 194 e.v. Rv) steeds meer informatie van de bank wensen te verkrijgen. Een ontwikkeling om bedacht op te zijn, ook in het kader van het vormgeven en inrichten van onder meer onderzoeksdossiers.
Appellant is voor de bank een derde en is slachtoffer geworden van een computerkraak waarbij e-mails zijn vervalst en waarbij appellant € 4,2 miljoen euro heeft overgemaakt naar een bij de bank aangehouden rekening. Een deel van dit geld is verdwenen. Appellant verwijt de bank kort gezegd dat zij de rekeninghouder toegang tot het bankverkeer heeft gegeven zonder dat de bank wist wie achter de B.V. schuilging. De oorspronkelijke eigenaar van de aandelen in de B.V. bleek deze namelijk in 2018 verkocht te hebben, waardoor er een indirecte Iraanse aandeelhouder en bestuurder was. Toen de bank dit ruim een jaar later zelf ontdekte, is de bank vragen gaan stellen aan haar klant. Volgens appellant is de bank daarbij onvoldoende voortvarend te werk gegaan waardoor het daarna nog kon gebeuren dat via de desbetreffende bankrekening haar geld verdween. De rechtbank heeft de vordering in eerste aanleg afgewezen.
Appellant is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg. De bank heeft aangegeven dat zij niet zomaar kan ingrijpen als zij ontdekt dat er veranderingen bij de klant hebben plaatsgevonden. De bank start dan eerst een cliëntonderzoek en aan de hand van de uitkomst van dat onderzoek worden eventueel maatregelen genomen.
Het Hof stelt dat vooralsnog niet voldoende duidelijk is welke maatregelen de bank heeft genomen toen haar in de zomer van 2019 duidelijk werd dat er bij haar oorspronkelijke klant relevante wijzigingen hadden plaatsgevonden waarvan zij niet op de hoogte was gesteld. Volgens het Hof moet deze duidelijkheid er wel komen, zodat de bank bij tussenarrest wordt bevolen uiteen te zetten waaruit het onderzoek dat zij naar de klant heeft verricht concreet heeft bestaan. De bank dient daarbij een toelichting te geven op de aard en omvang van het betalingsverkeer op de betreffende bankrekening, zodat duidelijk is welk beeld de klant wél had van haar klant. De bank kan gelet op het bankgeheim echter wel volstaan met een algemene beschrijving van frequentie, omvang van de bedragen en vestigingsplaats van de partij van wie het geld afkomstig was dan wel naar wie het geld is gegaan. Volgens het Hof dient de bank tot slot uiteen te zetten dat zij met haar onderzoek aan alle relevante wet- en regelgeving heeft voldaan. Daarvoor dient de bank in ieder geval in te gaan op de stelling van appellant dat de bank verplicht was om een klant met een relatie met een hoogrisicoland (zoals Iran), niet alleen aan transactiemonitoring te onderwerpen maar ook aan transactiefiltering. Pas na ontvangst van deze informatie is voor het Hof te beoordelen of er sprake is geweest van een normschending door de bank. Ook dit arrest past in de trend dat derden in toenemende mate informatie bij banken opvragen en dit – waar nodig – in gerechtelijke procedures vorderen met als doel de bank aansprakelijk te stellen voor geleden schade, welke voort zou komen uit niet afdoende voortvarend handelen nadat signalen zijn verkregen of de bank gegevens bekend zijn geworden. Dit risico speelt eveneens bij informatie die via uitleveringsbevelen (ex artikel 126nc e.v. Sv) door het OM gedeeld wordt en zo onderdeel wordt van een strafdossier.
De Bank heeft een rekening van een klant geblokkeerd nadat zij signalen van twee andere Nederlandse banken had gekregen dat de rekeninghouder betrokken was bij een onderzoek naar grootschalige illegale beleggingsdienstverlening en beleggingsfraude. Er is rond de € 7 miljoen ingelegd door een grote hoeveelheid klanten zonder het vereiste AFM-toezicht en zonder dat zij adequaat zijn beschermd in geval van bijvoorbeeld faillissement van de eiser. De voorzieningsrechter is van oordeel dat er aanwijzingen zijn voor illegale beleggingsdienstverlening en mogelijk zelfs beleggingsfraude. Blokkering van de betaalrekening als voorlopige maatregel op grond van de Wft en Wwft en de contractuele voorwaarden is volgens de voorzieningenrechter gerechtvaardigd en proportioneel.
Vragen?
Heeft u vragen over ontwikkelingen op het gebied van betaalfraude of aanstaande wijzingen in wet- en regelgeving? Neem dan contact op met één van onze specialisten.
Dit is een nieuwsbrief van het team Banking & Finance.