Resultaatgericht indiceren van Wmo-begeleiding is niet mogelijk

15-06-2021

De Centrale Raad van Beroep (hierna: ‘CRvB’) heeft zich in het verleden verschillende keren uitgelaten over het resultaatgericht indiceren van huishoudelijke hulp onder de Wmo 2015. Resultaatgericht indiceren, wat inhoudt dat hulp niet wordt toegekend in uren maar in een te behalen resultaat (onder meer een schoon en leefbaar huis), is medio juni 2021 voor gemeenten niet mogelijk. Wat onduidelijk bleef was of deze rechtspraak zich ook uitstrekte tot andere voorzieningen binnen het sociale domein. De CRvB heeft hierover uitsluitsel gegeven in een uitspraak over individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015.

In haar uitspraak van 26 mei jl. heeft de Raad zich uitgelaten over de vraag of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: ‘het college’) aan de betrokken inwoner de individuele begeleiding mocht toekennen in een te behalen resultaat in plaats van een toekenning in concrete uren. Uit het beleid volgt dat de met betrekking tot de inwoner beoogde resultaten worden gekoppeld aan een bepaald profiel. Dit profiel is opgebouwd uit verschillende categorieën. Het geselecteerde profiel is opgenomen in het ondersteuningsplan, waarin het college richting geeft aan wat moet gebeuren om de hulpvraag te beantwoorden. De aanbieder werkt vervolgens samen met de inwoner de indicatie uit in activiteiten met de frequentie die de aanbieder zal gaan uitvoeren. Daarbij dient te worden gebleven binnen het financieel kader dat aan het profiel is gekoppeld. Deze werkwijze komt overeen met de werkwijze van resultaatgericht indiceren bij huishoudelijke hulp.

De rechtbank in eerste instantie stelt dat met deze werkwijze niet voldoende wordt bepaald wat de inhoud is van de aan inwoner verstrekte maatwerkvoorziening. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verstrekte maatwerkvoorziening onvoldoende is geconcretiseerd aangezien de frequentie van de begeleiding wel wordt vastgesteld maar van enige tijdsindicatie geen sprake is. In hoger beroep oordeelt de CRvB dat een dergelijke wijze van het verstrekken van begeleiding ertoe leidt dat een inwoner en een aanbieder niet weten hoeveel hulpverlening het college naar tijdseenheden heeft geïndiceerd. Deze wijze van het verstrekken van begeleiding is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus de CRvB (zie onder meer de uitspraken van de Raad van 18 mei 2016 en 8 oktober 2018).

Waar eerder nog onduidelijkheid bestond over de vraag of de rechtspraak van de CRvB met betrekking tot resultaatgericht indiceren bij huishoudelijke hulp in de Wmo 2015 ook gevolgen heeft voor andere voorzieningen in het sociaal domein is met de onderhavige uitspraak daar nu helderheid over gekomen. Het resultaatgericht indiceren bij individuele begeleiding lijkt met het oog op deze uitspraak juridisch niet langer houdbaar.

Dit is een Legal Update van Bastiaan Wallage en Freek Reijmerink.

Download als pdf

Specialist(en)