Ongevallen op het schoolplein: wanneer is de school (secundair) aansprakelijk?
08-02-2021
Inleiding
In een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stond de secundaire aansprakelijkheid van een school voor letsel van een leerling centraal. Aanleiding was een incident op het schoolplein, waarbij drie leerlingen in de pauze onder een putdeksel op zoek gingen naar knikkers. Toen een van de leerlingen bekeek of er knikkers onder de putdeksel lagen, gooide zijn vriendje de putdeksel dicht, waarna de putdeksel op de pink van de leerling viel. Als gevolg van dit ongeval werd de pink van de leerling geamputeerd.
Vordering ouders
De ouders van de leerling, als wettelijk vertegenwoordigers, hebben de kantonrechter naar aanleiding van het voornoemde ongeval in een deelgeschil verzocht te bepalen dat de school haar buitencontractuele zorgplicht (art. 6:162 BW) had geschonden en daarom aansprakelijk was voor de daardoor geleden schade. De school zou volgens de ouders onvoldoende veiligheidsmaatregelen hebben getroffen ter afwending van het gevaar van de (te openen) putdeksel, hetgeen geleid zou hebben tot een onveilige situatie op het schoolplein. Daarnaast was er volgens de ouders onvoldoende toezicht op de leerlingen gehouden. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen, tegen welke uitspraak de ouders hoger beroep hebben ingesteld.
Onvoldoende toezicht?
In hoger beroep staat het hof allereerst stil bij de vraag of er voldoende toezicht door de school is gehouden. Het hof neemt daarbij enkele oordelen van de kantonrechter over, waartegen de ouders geen bezwaar hebben gemaakt. Het eerste uitgangspunt is dat de zorgplicht van een school een inspanningsverbintenis betreft en geen resultaatsverbintenis. Als tweede uitgangspunt heeft volgens het hof te gelden dat niet nodig is dat op een schoolplein – waar ‘ongeveer 50 normaal begaafde kinderen tussen de 4 en 6 jaar aan het spelen zijn’ – steeds direct toezicht op elke leerling wordt gehouden. Niet elke gedraging van een kind hoeft immers onmiddellijk opgemerkt te worden. In het verlengde en als derde uitgangspunt geldt, aldus het hof, dat toezicht van twee leerkrachten op een groep van 50 leerlingen op een overzichtelijk schoolplein gebruikelijk en voldoende is. Dat een van de leerkrachten voor een moment niet op het schoolplein aanwezig was, omdat deze naar binnen was gegaan om twee kleuters toe te spreken, deed aan het voorgaande niet af.
Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten, kan niet worden aangenomen dat de school onvoldoende toezicht heeft gehouden, aldus het hof. Uit het enkele feit dat het ongeval heeft kunnen plaatsvinden, volgt immers nog niet dat de school dús tekortgeschoten is in het voorkomen ervan. Dat het slachtoffer en zijn vrienden direct toezicht en speciale aandacht behoefden, hebben de ouders naar het oordeel van het hof evenmin voldoende onderbouwd. Het feit dat de leerlingen de dag ervoor reeds eerder een tegel hadden losgetrokken, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat speciale aandacht van de school noodzakelijk was.
Onvoldoende veiligheidsmaatregelen?
In het vervolg van het arrest gaat het hof in op de stelling van de ouders dat de aanwezigheid van putdeksels voor de school een kenbaar gevaar was, waartegen zij maatregelen had moeten nemen. Daarbij overweegt het hof allereerst dat de aanwezigheid van (te openen) putdeksels in het algemeen niet zodanig gevaarzettend is dat een school daartegen maatregelen moet nemen. Het gaat er dus om of de school wist, althans had moeten weten dat de putdeksel open kon en (vooral) dat dáárdoor een gevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan voor de op het schoolplein spelende kleuters. Dat is volgens het hof niet het geval, zeker niet gelet op de kracht en moeite die het een kleuter kost om een putdeksel op te lichten. Het knikkerputje bevond zich ook niet zodanig dichtbij de putdeksel dat de school behoorde te weten (dat voor haar voorzienbaar was) dat er knikkers in de put zouden vallen.
Het voorgaande ligt evenwel anders, zo overweegt het hof, als de stelling van de ouders dat kinderen vaker putdeksels openden – en de kans op schade voor de school dus (meer) voorzienbaar was – juist blijkt. Gezien de gemotiveerde betwisting van de school, zullen de ouders voor de juistheid van die stelling over de kenbaarheid van het concrete gevaar, nader bewijs dienen te leveren.
Conclusie
De onderhavige uitspraak bevestigt de lijn in de rechtspraak waaruit volgt dat een school niet zonder meer (secundair) aansprakelijk kan worden gesteld voor een ongeval op een schoolplein, waarbij de ene leerling schade in het leven roept bij een andere leerling. Het enkele feit dat het ongeval heeft kunnen gebeuren, is voor secundaire aansprakelijkheid van de school onvoldoende. Bedacht dient immers steeds te worden dat het houden van toezicht een inspanningsverplichting betreft en dat van de school niet kan worden verwacht dat op elke leerling – zonder dat daarvoor een specifieke aanleiding is – continu toezicht gehouden wordt. Dat is slechts anders als de schade voor een school in voldoende mate voorzienbaar was en er dus sprake is van een meer concreet gevaar, in plaats van enkel een theoretisch (algemeen) gevaar. In dat geval mag van de school wél worden verwacht dat zij op het gevaar anticipeert, door daarop toegespitste voorzorgsmaatregelen te treffen. De benadeelde partij zal zich echter wel steeds bewust moeten zijn van het feit dat dat de stelplicht en bewijslast van die voorzienbaarheidsvraag op haar rust, en niet kan worden volstaan met de enkele stelling dat de school méér had moeten doen in termen van toezicht en preventie.
Dit is een Legal Update van Kirsten Maes.