Legal Update
Hoge Raad oordeelt in de Mallorca-zaak: smartengeld afgewezen, groepsaansprakelijkheid bevestigd
Slaagt een vordering van ouders tot smartengeld voor hun overleden zoon die het toegebrachte leed nooit bewust heeft ervaren? En is groepsaansprakelijkheid mogelijk als niet kan worden vastgesteld wie precies het letsel heeft veroorzaakt? Op 8 juli 2025 gaf de Hoge Raad antwoord op deze vragen in de zogenoemde Mallorca-zaak (ECLI:NL:HR:2025:1055).
Achtergrond van de zaak
In de nacht van 13 op 14 juli 2021 werd de toen 27-jarige Carlo Heuvelman slachtoffer van ernstig uitgaansgeweld op de boulevard van El Arenal in Mallorca. Hij raakte direct in coma en overleed vijf dagen later in het ziekenhuis. De verdachten – allemaal ook Nederlanders - maakten deel uit van een vriendengroep die betrokken was geweest bij meerdere geweldsincidenten die nacht. Alle zeven verdachten werden door het gerechtshof strafrechtelijk veroordeeld voor openlijk geweld in vereniging. Drie van hen voor medeplegen van poging tot het toebrengen van zwaar letsel, twee voor poging tot doodslag. In het strafproces hebben de ouders van het slachtoffer zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot smartengeld namens hun overleden zoon ingesteld.
Groepsaansprakelijkheid: hoofdelijk aansprakelijk bij collectief geweld
Het gerechtshof oordeelde dat alle verdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:166 BW, nu sprake was van bewuste deelname aan openlijk geweld in groepsverband. Volgens het gerechtshof bestond tussen de gewelddadige gedragingen onderling een duidelijke samenhang en bracht het groepsgeweld tegen een persoon het voorzienbare risico mee dat letsel zou worden toegebracht. Voor groepsaansprakelijkheid is volgens het hof niet vereist dat een individu uit de groep zelf de schade heeft veroorzaakt.
In cassatie klaagden vijf verdachten dat het gerechtshof groepsaansprakelijkheid ten onrechte had aangenomen nu hun persoonlijke betrokkenheid bij de fatale klap niet was vastgesteld en zij het geweld tegen het slachtoffer niet hadden waargenomen. Volgens hen berustte de toerekening op een te ruime uitleg van artikel 6:166 BW.
De Hoge Raad verwerpt deze klachten en bevestigt dat artikel 6:166 BW niet verlangt dat ieder groepslid het concrete gevolg heeft voorzien of had kunnen voorkomen. Het gaat om de bijdrage aan een groepsoptreden dat naar zijn aard het gevaar op schade zodanig verhoogt dat de deelnemers zich daarvan hadden behoren te onthouden. In deze zaak stond vast dat de verdachten eerder die avond betrokken waren bij vechtpartijen en bij geweld tegen de groep waartoe het slachtoffer behoorde en dat het letsel is toegebracht door leden van diezelfde groep. Het hof kon onder die omstandigheden aannemen dat de kans op letsel voorzienbaar was en dat het groepsgeweld aan iedere deelnemer kon worden toegerekend. De groepsaansprakelijkheid blijft daarom in stand.
Smartengeld: geen recht zonder bewust ervaren leed
Het gerechtshof wees de vordering van de ouders voor hun overleden zoon tot vergoeding van vererfde immateriële schade toe. Het gerechtshof oordeelde dat op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW toewijzing gerechtvaardigd was, aangezien het slachtoffer door het gepleegde geweld ernstig lichamelijk letsel had opgelopen en als gevolg daarvan is overleden.
Wat betreft de vererving stelde het gerechtshof dat het slachtoffer vanwege zijn directe coma geen gelegenheid had gehad om vóór overlijden kenbaar te maken dat hij aanspraak wilde maken op smartengeld. Volgens de wettelijke regel in artikel 6:95 lid 2 BW is dat normaal gesproken vereist voor vererving. Toch oordeelde het gerechtshof dat toepassing van deze eis in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daardoor achtte het gerechtshof de immateriële schade toch vatbaar voor vererving en kende het de vordering van de ouders toe.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het gerechtshof. Volgens de Hoge Raad is smartengeld een hoogstpersoonlijk recht als bedoeld in artikel 6:106 BW dat alleen ontstaat wanneer het slachtoffer het toegebrachte nadeel daadwerkelijk en bewust heeft ervaren. In deze zaak stond vast dat het slachtoffer direct na het geweld buiten bewustzijn raakte en tot aan zijn overlijden in comateuze toestand is gebleven. Daarmee ontbrak iedere subjectieve beleving van het letsel. Omdat het slachtoffer het leed niet heeft kunnen ervaren en de vergoeding hem niet persoonlijk kan bereiken, concludeert de Hoge Raad dat geen recht op smartengeld is ontstaan. Daardoor is de vraag naar vererving niet meer relevant.
Conclusie
De Mallorca-zaak benadrukt dat deelname aan collectief geweld groepsaansprakelijkheid kan meebrengen, ook als de individuele schadeveroorzaker onbekend blijft. Tegelijkertijd trekt de Hoge Raad een grens rond smartengeld: zonder bewust ervaren letsel ontstaat het recht op smartengeld niet en kan het niet vererven.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.
Specialist(en)
Petra klein Gunnewiek
Aansprakelijkheid & Verzekering en Zorg & Sociaal domein