Legal Update
Eerste Afdelingsuitspraak: Tegelen-jurisprudentie blijft onder de Omgevingswet
Op 22 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) in een uitspraak over een bestemmingsplan van de gemeente Noordwijk voor het eerst geoordeeld dat de zogenoemde ‘Tegelen-jurisprudentie’ ook onder de Omgevingswet blijft gelden. Het antwoord van de voorzieningenrechter is: ja, de bestaande lijn wordt doorgetrokken naar het nieuwe recht. In deze Legal Update bespreken we deze uitspraak, maar we beginnen met een korte uitleg over de Tegelen-jurisprudentie.
Wat houdt de Tegelen-jurisprudentie ook alweer in?
De Tegelen-jurisprudentie doorbreekt, omwille van de rechtszekerheid van de aanvrager, het uitgangspunt dat vernietiging van een bestemmingsplan terugwerkende kracht heeft. Concreet betekent dit: is een omgevingsvergunning voor het bouwen of het uitvoeren van een werk verleend op basis van een bestemmingsplan dat nog niet onherroepelijk was, en wordt dat plan later alsnog vernietigd, dan hoeft die vernietiging onder omstandigheden geen gevolgen te hebben voor de eerder verleende vergunning. Bepalend is daarbij niet het moment van de oorspronkelijke vergunningverlening, maar het moment van de beslissing op bezwaar: wordt die beslissing genomen vóórdat het bestemmingsplan is geschorst of vernietigd, dan blijft de vergunning ook na een latere vernietiging van het bestemmingsplan in stand. Vragen tegenstanders gelijktijdig met hun bezwaar, om schorsing van het bestemmingsplan, dan moet de beslissing op bezwaar worden aangehouden en bij toewijzing van die schorsing alsnog aan het oude bestemmingsplan worden getoetst. Deze uitzondering geldt bovendien alleen wanneer de aanvrager een rechtstreekse aanspraak op de omgevingsvergunning had en niet wanneer de vergunning (mede) op basis van een afwijkingsbevoegdheid wordt verleend. In dat geval heeft een latere vernietiging van het bestemmingsplan wél terugwerkende kracht, zodat van onomkeerbare gevolgen die een spoedeisend belang bij schorsing rechtvaardigen geen sprake is.
Wat speelde er in Noordwijk?
De zaak gaat over het bestemmingsplan “Correctie Zeewaardig, fase 3”, dat de gemeenteraad Noordwijk op 12 november 2024 heeft vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt ruimere bouwmogelijkheden mogelijk dan het voorheen geldende bestemmingsplan, onder meer voor appartementen en commerciële ruimten op verschillende locaties. Twee eigenaren van nabijgelegen gronden, Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate (hierna: 'de verzoekers'), zijn het niet eens met deze verruiming en stellen beroep in tegen het bestemmingsplan. Omdat het bestemmingsplan is vastgesteld voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet gaan deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk, als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet.
Op 12 september 2025 vraagt Zinger Noordwijk – onder de Omgevingswet – een omgevingsvergunning aan voor de bouw van 76 appartementen, commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage in het plangebied. Het bouwplan is echter alleen mogelijk met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan. Het college verleent de omgevingsvergunning op 23 april 2026. Daarop vragen appellanten de voorzieningenrechter om het bestemmingsplan te schorsen totdat in de bodemprocedure op hun beroep is beslist.
Oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter van de Afdeling start met de vraag of de verzoekers wel een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening van de schorsing van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 8:81 Awb is daarvoor vereist dat onverwijlde spoed een voorlopige voorziening rechtvaardigt, wat in dit soort zaken neerkomt op de vraag of de werking van het bestemmingsplan — inmiddels onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan — onomkeerbare gevolgen heeft.
Nieuw aan deze uitspraak is dat de voorzieningenrechter voor het eerst uitdrukkelijk bevestigt dat de Tegelen-lijn ook onder de Omgevingswet blijft gelden. Uit het samenstel van artikel 22.10 en 5.21 Omgevingswet, de artikelen 22.280 en 22.281 van de Bruidsschat en artikel 8.0a Bkl volgt dat de verleningsplicht in dit soort gevallen als een bevoegdheid moet worden gelezen, waarbij het college mede moet beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze zaak maakt het bestreden bestemmingsplan het bouwplan van Zinger Noordwijk uitsluitend mogelijk via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid: van een rechtstreekse aanspraak is dus geen sprake en daarmee is de Tegelen-jurisprudentie niet op de zaak van toepassing. De aanvraag en de verlening van de omgevingsvergunning leiden er niet toe dat het in werking getreden bestemmingsplan onomkeerbare gevolgen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.