De Hoge Raad bevestigt: voor vergoeding van shockschade moet sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld

30-12-2021

Shockschade is (schade door) het psychisch letsel dat iemand oploopt door een shock als gevolg van het waarnemen van, of confrontatie met (de ernstige gevolgen van) een ongeval of misdrijf dat een ander is overkomen. Om voor schadevergoeding in aanmerking te komen moet deze shock hebben geresulteerd in een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zo volgt uit vaste rechtspraak. In een recent arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad bevestigd dat dit criterium niet is gewijzigd door het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2021. In laatstgenoemd arrest, dat ging over de vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze (waaronder ook shockschade valt), werd overwogen dat de eis dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven moet worden vastgesteld, niet inhoudt dat daarvan slechts sprake is wanneer het een in de psychiatrie erkend ziektebeeld betreft.

Wanneer heeft een slachtoffer recht op smartengeld wegens persoonsaantasting op andere wijze?

Het recht op immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, komt een slachtoffer slechts toe in de gevallen opgenomen in art. 6:106 BW, zoals het geval wanneer het slachtoffer in zijn persoon is aangetast. Op grond van art. 6:106 aanhef sub b BW is dit het geval wanneer een slachtoffer (i) lichamelijk letsel oploopt, (ii) in zijn eer of goede naam is geschaad, of (iii) 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Onder aantasting in de persoon 'op andere wijze', kunnen de volgende gevallen worden onderscheiden:

  1. In ieder geval is daarvan sprake wanneer het slachtoffer geestelijk letsel heeft en dit met voldoende concrete gegevens kan worden aangetoond, d.w.z. het bestaan van geestelijk letsel kan naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
     
  2. Kan geen geestelijk letsel worden vastgesteld, dan kan sprake zijn van de bedoelde aantasting wanneer de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan meebrengen dat sprake is van de persoonsaantasting op andere wijze, hetgeen wel met concrete gegevens moet worden onderbouwd. Daarnaast kunnen de aard en ernst van de normschending meebrengen dat (in dit verband relevante) nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zo voor de hand liggen, dat de bedoelde aantasting zonder (nadere) onderbouwing kan worden aangenomen.
     
  3. Tot slot kan ook sprake zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze wanneer door het waarnemen van, of confrontatie (met de ernstige gevolgen van) een traumatische gebeurtenis een hevige emotionele schok ontstaat met geestelijk letsel tot gevolg (de zogenoemde 'shockschade').

Arrest Hoge Raad 29 juni 2021

In de rechtspraak werd veelal aangenomen dat van 'geestelijk letsel naar objectieve maatstaven' (zie onder 1) slechts sprake is indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In het arrest van 29 juni 2021 werd door de Hoge Raad echter overwogen dat het vereiste dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven moet zijn vastgesteld, niet inhoudt dat daarvan slechts sprake is indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ook brengt deze eis volgens de Hoge Raad niet mee dat het geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld. In de literatuur rees vervolgens de vraag of dit ook betekende dat voor een vergoeding wegens shockschade geen in de psychiatrie erkend ziektebeeld meer is vereist. 

Met het arrest van 24 december 2021 van de Hoge Raad werd deze vraag al snel beantwoord: dit is niet het geval. De eis dat voor vergoeding van shockschade in het algemeen sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is door het arrest van 29 juni 2021 niet gewijzigd, aldus de Hoge Raad. Overwogen werd dat het in dat arrest niet ging over shockschade, maar over de aantasting in de persoon op andere wijze, bestaande uit geestelijk letsel van de persoon die zelf het slachtoffer is van het ongeval of het misdrijf. Door de Hoge Raad wordt benoemd dat er aldus een verschil bestaat in de beoordeling van enerzijds shockschade en anderzijds alle andere schade die het gevolg is van een persoonsaantasting 'op andere wijze' als bedoeld in art. 6:106 sub b BW. Dit nu bij vergoeding van shockschade de aansprakelijkheid niet alleen berust op een onrechtmatige daad van de veroorzaker van het ongeval of misdrijf jegens de persoon die daardoor gewond is geraakt of is overleden, maar ook jegens het slachtoffer dat door het waarnemen daarvan of door de confrontatie ervan, een hevige emotionele shock is teweeggebracht. De wegens schending van deze norm op grond van art. 6:106 aanhef en onder b BW te vergoeden schade is beperkt tot het uit de emotionele schok voortvloeiende geestelijk letsel wanneer dit voldoet aan de uit vaste rechtspraak (sinds het Taxibus-arrest van 22 februari 2002) voortvloeiende eisen.

Voor vergoeding van shockschade moet sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld

In dit arrest heeft de Hoge Raad dus bevestigd dat waar het gaat om vergoeding van shockschade de eis blijft bestaan dat wat betreft het psychisch letsel sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dit brengt de nodige opheldering, met name nu het in de laatste jaren in de lagere rechtspraak meermaals voorkwam dat dit criterium niet altijd zo strikt - als vereist - werd toegepast.

Dit is een Legal Update van Nikki Nuijten.

Download als pdf

Specialist(en)