Autobezit en een bijstandsuitkering: wat zijn de regels?

22-02-2021

De inlichtingenplicht binnen de Participatiewet is de laatste tijd vaak in het nieuws. Deze inlichtingenplicht houdt in dat de bijstandsgerechtigde mededeling (uit eigen beweging of op verzoek) moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem of haar duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Onder deze inlichtingenplicht valt onder andere het (financiële) vermogen van de bijstandsgerechtigde. Als vermogen wordt aangemerkt de waarde van de bezittingen waarover de bijstandsgerechtigde beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De Participatiewet hanteert een vermogensgrens van € 6.295,00 voor een alleenstaande en € 12.590,00 voor een alleenstaande ouder of voor de gehuwden tezamen. Bij vermogen boven deze grens vervalt het recht op bijstand. Gemeenten vragen zich vaak af of de waarde van een auto als vermogen moet worden aangemerkt en valt onder de inlichtingenplicht. Het antwoord op deze vraag is bevestigend, maar er zijn uitzonderingen.

Algemeen gebruikelijke of noodzakelijke bezittingen

Bezittingen die naar hun aard en waarde als algemeen gebruikelijk dan wel gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk zijn, worden niet als vermogen aangemerkt (art. 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet). Het is namelijk in sommige situaties en voor sommige bezittingen onwenselijk om van een bijstandsgerechtigde te eisen dat deze worden omgezet in geld dat voor het levensonderhoud kan worden ingezet.

Gemeenten kunnen in hun beleid opnemen dat auto's vanaf een bepaald bouwjaar en onder een bepaalde dagwaarde als algemeen gebruikelijke bezitting worden vrijgelaten. Zo hanteert de gemeente Amsterdam bijvoorbeeld een grens van € 3.500,00 voor de waarde van een auto. Wanneer de dagwaarde van de auto meer is dan dit bedrag wordt dit bij het vermogen opgeteld. Als de bijstandsgerechtigde daardoor boven de vermogensgrens komt moet de auto worden verkocht.

Mocht een gemeente dergelijk beleid hanteren betekent dit dat het bezit van een auto (tot bijvoorbeeld de waarde van € 3.500,00) geen invloed heeft op het vermogen van de bijstandsgerechtigde. Als vervolgens de bijstandsgerechtigde geen mededeling doet van het bezit van een auto met een waarde onder de vrijgelaten grens is dit ook geen schending van de inlichtingenplicht. Gemeenten kunnen niet verplichten om dit door te geven en een boete is dan ook niet van toepassing.

Aan- of verkoop van een auto

Vervolgens rijst de vraag wat de regels zijn voor aan- of verkoop van een auto. Als deze wordt gekocht in de bijstandsperiode met het eigen spaargeld is er in beginsel geen sprake van vermogenstoename en hoeft dit niet te worden gemeld zo lang de vermogensgrens niet wordt overschreden. Als iemand de auto heeft gekregen is er sprake van vermogenstoename en moet dit worden gemeld. Uitzondering hierop is als gemeenten specifiek beleid hanteren voor autobezit zoals hierboven toegelicht.

Als een auto wordt verkocht in de bijstandsperiode moet de opbrengst worden gemeld bij de gemeente. Uit de rechtspraak vloeit namelijk voort dat het ontvangen van stortingen en een bijschrijving op de bankrekening een omstandigheid is waarvan het de bijstandsgerechtigde duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op het recht op bijstand.

Wanneer op basis van het gemeentelijk beleid de auto niet als vermogen wordt aangemerkt hoeft de verkoop door de bijstandsgerechtigde in de bijstandsperiode niet te worden gemeld. Weliswaar valt de opbrengst van de verkoop van een vrijgelaten bezitting op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a van de Participatiewet niet onder de uitzonderingsbepaling, toch moet in beginsel aangenomen worden dat de verkoopopbrengst van een vrijgelaten bezitting voor de bijstandsgerechtigde niet beschikbaar is om in andere bestaanskosten te voorzien. Aangezien een dergelijk gebruiksgoed, na verkoop ervan, veelal wordt vervangen, dan wel dat met de verkoopopbrengst een ander, soortgelijk, gebruiksgoed wordt aangeschaft. Dit wordt ook wel het vervangingsvermoeden genoemd. Uit de rechtspraak komt naar voren dat gelet op dit vervangingsvermoeden en de gevolgen daarvan, het voor de bijstandsgerechtigde niet zonder meer duidelijk kan zijn dat de opbrengst van de verkochte vrijgelaten auto van invloed kan zijn op het recht op bijstand. De bijstandsgerechtigde is daarom niet verplicht uit eigen beweging een dergelijke verkoop bij de gemeente te melden.

Onderzoek door gemeente

Het blijft voor gemeenten echter altijd mogelijk om nader onderzoek te doen naar de vermogenssituatie van de bijstandsgerechtigde waar medewerking aan zal moeten worden verleend. Daarbij kunnen gemeenten gebruik maken van RDW-gegevens om te controleren of de dagwaarde van de auto daadwerkelijk onder de vrijgelaten grens ligt en mocht de bijstandsgerechtigde weigeren om een aan- of verkoopbewijs te overleggen, dan is er alsnog sprake van een schending van de inlichtingenplicht.

Dit is een Legal Update van Freek Reijmerink en Bastiaan Wallage.

Download als pdf

Specialist(en)