Publicatie
Opheffing van dwalingsnadeel: welke hypothetische situatie en welk beoordelingsmoment?
Voor Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2026/25, afl. 6, p. 94 - 102) schreef Joris den Hartog een artikel over het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:199) over dwaling bij de aankoop van een woning over de mogelijke komst van een megastal aan de overkant van de straat.
In dit arrest geeft de Hoge Raad meer duidelijkheid over de wijze waarop het dwalingsnadeel dient te worden bepaald dat op grond van art. 6:230 lid 2 BW door de rechter kan worden opgeheven. Met name speelde daarbij de vraag wat de implicatie was van het feit dat de megastal in kwestie er uiteindelijk nooit is gekomen (en ook niet meer zou komen). Het arrest van het hof werd daarbij vernietigd, omdat de conclusie van het hof dat kopers geen nadeel hadden ondervonden omdat de megastal er niet gekomen is, onverenigbaar was met het uitgangspunt van het hof dat kopers de woning voor een lagere prijs zouden hebben gekocht als zij niet zouden hebben gedwaald. In die hypothetische situatie was de waardestijging van de woning doordat er geen megastal meer zou komen, immers aan kopers ten goede gekomen, terwijl zij de woning voor een aanzienlijk lagere prijs zouden hebben verkocht.