Legal Update
Soepelere norm voor bevrijdende verjaring bij erfdienstbaarheden
Op 27 mei 2025 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan over het verkrijgen van een erfdienstbaarheid door middel van bevrijdende verjaring (ECLI:NL:GHARL:2025:3246). Het hof verduidelijkt dat de norm die geldt voor bezit van een erfdienstbaarheid soepeler is dan bij verjaring van eigendom.
Wat was er aan de hand?
In deze zaak gaat het om een beroep op het ontstaan van een erfdienstbaarheid van weg door verjaring. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij al gedurende meer dan twintig jaren over het perceel van zijn buurman rijdt om te komen van en naar de parkeerplaatsen op zijn eigen perceel. Als de buurman een hekwerk plaatst en het rijden van en naar de parkeerplaatsen onmogelijk wordt gemaakt, start eiser een procedure.
Procedures
De rechtbank heeft het beroep op verjaring van eiser afgewezen. Het hof daarentegen, gaat mee in het beroep op verjaring en wijst de vordering van eiser toe. Het hof vindt dat eiser zich als bezitter van een erfdienstbaarheid heeft gedragen door meer dan twintig jaren over het perceel van de buurman te rijden van en naar zijn parkeerplaats.
Anders dan waar de rechtbank vanuit gaat, hoeft het bij de uitoefening van bezit van een erfdienstbaarheid niet te gaan om bezitsdaden waarbij het voor de eigenaar van het andere erf duidelijk moet zijn dat die bezitsdaden ertoe hebben geleid 'dat hij het exclusieve genot van zijn erf heeft verloren'. De bezitter van een erfdienstbaarheid blijft immers slechts houder van de zaak waarop de erfdienstbaarheid wordt uitgeoefend; de rechthebbende verliest niet het exclusieve genot van zijn erf door het bestaan van een erfdienstbaarheid. Dat het gebruik door de bezitter theoretisch ook kan passen bij een persoonlijk recht of andersoortig beperkt recht, maakt niet uit volgens het hof. Die tegenwerping leidt pas ergens toe als er objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door de partij die zich op het bezit beroept te kunnen aanmerken als voortvloeiend uit een andere rechtsverhouding.
Betekenis voor de praktijk
Het hof hanteert in deze zaak een soepelere norm voor verjaring door bezit van een erfdienstbaarheid dan rechters in het verleden hebben gedaan.
In die uitspraken wezen rechters erop dat het erom gaat of de macht over het perceel die in dat gebruik ligt besloten, wordt uitgeoefend als gepretendeerd rechthebbende op een erfdienstbaarheid, te beoordelen naar verkeersopvatting op grond van de uiterlijke feiten en met inachtneming van de regels in art. 3:109 e.v. BW (art. 3:108 BW). Het bezitscriterium is bij toepassing van die norm, zeker bij beperkte rechten, een lastig te nemen horde. Welke uiterlijke feiten kunnen wijzen op bezitspretentie van een (onzichtbaar) beperkt recht, is immers moeilijk voorstelbaar.
Zie in deze zin: Hoge Raad 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2060 (Bomenrij), waarin werd geoordeeld dat het enkele feit dat bomen al sinds mensenheugenis ter plaatse waren, geen recht van erfdienstbaarheid deed ontstaan. Of gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4942, waarin werd geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een raam binnen twee meter van de erfgrens op zichzelf geen bezitspretentie inhoudt. Op dezelfde wijze geldt ook dat het enkele gebruik van een weg of (in dit geval) een vaarroute op zichzelf genomen aannemelijk niet voldoende is voor het aannemen van bezit van een erfdienstbaarheid.
In deze zaak breekt het hof met voornoemde lijn en hanteert een soepelere norm voor bezit van erfdienstbaarheden. Het hof zet daarmee de deur open voor meer verjaringsclaims van erfdienstbaarheden en andere beperkte rechten. Het arrest kan daarmee potentieel verstrekkende gevolgen hebben.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.