Legal Update
Hoe almachtig is de Ondernemingskamer eigenlijk?
Recent heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam de zogenoemde In Domo-beschikking (ECLI:NL:GHAMS:2026:1473) gewezen. Hierin staat centraal of de Ondernemingskamer binnen een geschillenregeling bevoegd is om andere voorzieningen te treffen dan door partijen werd verzocht.
Voor enquêteprocedures was al geruime tijd duidelijk dat de Ondernemingskamer een dergelijke bevoegdheid heeft. Met deze beschikking wordt verduidelijkt dat deze ruimte ook bestaat binnen de (nieuwe) geschillenregeling.
Enquêteprocedure en geschillenregeling: kort toegelicht
Wanneer er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken binnen een vennootschap, kunnen aandeelhouders en andere daartoe bevoegde personen de Ondernemingskamer verzoeken een enquête te gelasten. Dat is een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap. Gedurende het onderzoek kan de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen treffen.
De geschillenregeling is bedoeld voor conflicten tussen aandeelhouders onderling. Op basis hiervan kan een aandeelhouder worden gedwongen zijn aandelen over te dragen (de uitstotingsvordering), of kan een aandeelhouder afdwingen dat zijn aandelen door medeaandeelhouders worden overgenomen (de uittredingsvordering).
Verzoeken in de zaak
In de betreffende zaak lag een gecombineerd verzoek voor. Verzoeker vroeg zowel om uittreding als om het gelasten van een enquête. Daarnaast werd ontheffing van concurrentie- en relatiebedingen verzocht. De Ondernemingskamer wees zowel het enquêteverzoek als het uittredingsverzoek af, en daarmee ook de verzochte voorzieningen.
Bevoegdheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen
Vervolgens benadrukt de Ondernemingskamer in algemene zin dat zij in het kader van een geschillenregeling op grond van artikel 2:338 lid 3 BW bevoegd is om voorlopige voorzieningen te treffen. Deze bevoegdheid is vergelijkbaar met de mogelijkheid om in een enquêteprocedure onmiddellijke voorzieningen te treffen op grond van artikel 2:349a lid 2 BW. De toets die wordt gehanteerd bij het treffen van voorzieningen is in beide procedures ook in wezen dezelfde, aldus de Ondernemingskamer.
Beoordelingsmaatstaf
Bij de beoordeling of een voorlopige voorziening moet worden getroffen, staat de vraag centraal of ordemaatregelen nodig zijn in afwachting van de uitkomst van de geschillenprocedure. Deze maatregelen kunnen vooruitlopen op de uiteindelijke beslissing.
Deze beoordeling geschiedt op basis van een afweging van alle omstandigheden van het geval en de betrokken belangen, waaronder die van verzoeker, verweerder, de vennootschap en eventuele andere belanghebbenden.
Mogelijke ordemaatregelen
De Ondernemingskamer kan in een geschillenprocedure diverse voorlopige voorzieningen treffen, waaronder (i) schorsing van een bestuurder of commissaris, (ii) benoeming van een tijdelijke bestuurder of commissaris en (iii) tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer. Daarnaast kan de Ondernemingskamer bepalen dat een aandeelhouder zijn aandelen moet overdragen tegen betaling van een voorlopige prijs. Voorwaarde hiervoor is dat wordt voldaan aan de vereisten voor uittreding of uitstoting.
Geen afzonderlijk enquêteverzoek vereist
Van bijzonder belang is de overweging van de Ondernemingskamer dat binnen een geschillenprocedure géén apart enquêteverzoek nodig is om de Ondernemingskamer in staat te stellen een andere voorziening te treffen dan specifiek is verzocht. Die bevoegdheid volgt rechtstreeks uit artikel 2:338 lid 3 BW. Dat is een belangrijke verduidelijking. Tot nu toe diende een verzoeker vaak naast de geschillenprocedure ook een enquêteverzoek in, juist om die bewegingsruimte te creëren. Met deze overweging maakt de Ondernemingskamer duidelijk dat die dubbele route niet langer nodig is.
Grenzen aan de bevoegdheid
Deze ruimte betekent ook dat de regie niet langer volledig bij partijen ligt. Onbeperkt is de bevoegdheid overigens niet: de Ondernemingskamer zal er alleen gebruik van maken als daarvoor voldoende gronden bestaan, en die gronden moeten vervolgens uit de motivering van de beslissing blijken. Ook wordt deze bevoegdheid begrensd door artikel 24 Rv. De Ondernemingskamer mag geen beslissing nemen waarmee partijen, gelet op het verloop van de procedure en het gevoerde debat, redelijkerwijs geen rekening hoefden te houden en waarover zij zich niet hebben kunnen uitlaten.
Daarom zal de Ondernemingskamer geen voorlopige voorziening treffen die (i) niet aansluit bij de strekking van het verzoek, of (ii) zodanig afbreuk doet aan de kenbare bedoeling van verzoekers dat aannemelijk is dat zij hun verzoek niet zouden hebben gehandhaafd indien zij met die invulling rekening hadden moeten houden.
Praktische betekenis
De beschikking benadrukt nogmaals de pragmatische rol van de Ondernemingskamer. Zij hoeft niet slechts te reageren op verzoeken, maar kan actief sturen op een werkbare oplossing. Voor de praktijk betekent dit meer flexibiliteit, maar ook meer noodzaak tot strategisch en vooruitdenkend procederen. Net als bij de enquêteprocedure ligt de regie niet dus niet volledig in handen van partijen.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.