Legal Update
Heeft een frauderende benadeelde een eigen recht op uitkering op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM)? (2)
Dat was de vraag die de Hoge Raad op 4 juli 2025 heeft beantwoord (ECLI:NL:HR:2025:1082). De benadeelde in kwestie raakte als passagier ernstig gewond bij een eenzijdig verkeersongeval. Hoewel de auto op naam van een vriendin stond, bleek de benadeelde de feitelijke eigenaar en gebruikelijke bestuurder te zijn. Nadat haar eigen verzekeringsaanvraag door de verzekeraar was geweigerd, heeft zij de auto op naam van een vriendin laten zetten en op diens naam een verzekering afgesloten. Hierbij vulde zij de vragenlijst onjuist in, onder meer over een eerdere weigering, de gebruikelijk bestuurder en het al dan niet hebben van een rijbewijs. De verzekeraar weigerde (verdere) vergoeding van de schade, vanwege dit handelen van de benadeelde bij de totstandkoming van de verzekering.
De discussie spitste zich in feitelijke instanties met name toe op de vraag of de benadeelde kwalificeerde als ‘bekende derde’ in de zin van artikel 7:928 lid 2 BW, zodat ook op haar een mededelingsplicht rustte en door het niet nakomen van die verplichting aan haar dekking kon worden ontzegd op grond van artikel 7:930 lid 5 BW. Daarmee zou het eigen recht van de benadeelde op grond van artikel 6 WAM kunnen worden doorkruist. Ook was het de vraag of de verzekeraar zich kon beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Wat de rechtbank en het hof precies overwogen, kunt u lezen in onze eerdere Legal Update, waarin wij de conclusie van Advocaat-Generaal Hartlief bespraken.
Oordeel van de Hoge Raad
Onder verwijzing naar diverse uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) benadrukt de Hoge Raad de doelstelling van slachtofferbescherming van de WAM-richtlijn. Vergelijkbaar met het Matmut-arrest van het HvJEU (waarin de verzekeringnemer zelf de benadeelde inzittende was) concludeert de Hoge Raad dat, ongeacht of een inzittende benadeelde kan worden beschouwd als 'een bekende derde' in de zin van art. 7:928 lid 2 BW, hij dient te worden aangemerkt als benadeelde in de zin van artikel 1 WAM en dus een eigen recht op schadevergoeding jegens de verzekeraar heeft. In de verhouding tussen de benadeelde en een WAM-verzekeraar is geen plaats voor (naar analogie toegepaste) algemene buitenwettelijke regels waarbij opzettelijke misleiding of schending van de precontractuele mededelingsplicht door een benadeelde leidt tot verval van recht.
Ook de redelijkheid en billijkheid biedt in deze situatie geen soelaas voor de verzekeraar. Uitkering kan alleen worden geweigerd als sprake is van misbruik van EU-recht, wat het geval is wanneer het doel van de Europese regels niet wordt bereikt én wanneer de subjectieve bedoeling aanwezig was om een door het EU-recht toegekend voordeel te verkrijgen. De Hoge Raad oordeelt dat daar geen sprake van is: de benadeelde is een slachtoffer dat uitkering verlangt en daarmee wordt het doel van de WAM-richtlijn (bescherming van slachtoffers) bereikt. Bovendien blijkt niet dat de benadeelde bewust probeerde om Europese regels te misbruiken; zij wilde alleen een verzekering tot stand te brengen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak door voor verdere behandeling, omdat nog geoordeeld moet worden over het beroep van de verzekeraar op eigen schuld.
Conclusie
Dit oordeel van de Hoge Raad betekent dat een verkeersslachtoffer, zelfs als die opzettelijk heeft gefraudeerd bij het afsluiten van de verzekering, in principe toch recht heeft op schadevergoeding, omdat de bescherming van verkeersslachtoffers voorop staat in de Europese WAM-richtlijn. Alleen in uitzonderlijke gevallen van misbruik van Unierecht zou een uitkering geweigerd kunnen worden.
Toch blijft het frauduleuze handelen mogelijk niet volledig zonder consequenties. De verzekering is immers op naam en voor rekening van de vriendin afgesloten. Zij is dus de verzekeringnemer en de misleiding en onjuiste beantwoording van de vragen zou dus ook aan haar toegerekend kunnen worden. Dat zou voor de verzekeraar de mogelijkheid kunnen opleveren om op grond van artikel 15 WAM verhaal op de vriendin te nemen.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.