Legal Update
De Hoge Raad verschaft meer duidelijkheid over het studiekostenbeding na prejudiciële vragen over de beroepsopleiding voor advocaten
Op 26 september 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld over de vraag of een studiekostenbeding met betrekking tot de Beroepsopleiding Advocatuur (hierna: de Beroepsopleiding) nietig is volgens artikel 7:611a lid 4 BW (ECLI:NL:HR:2025:1386). In dit arrest beantwoordt de Hoge Raad onder meer de volgende twee prejudiciële vragen:
- Valt de Beroepsopleiding onder scholing die noodzakelijk is voor de functie van advocaat-stagiaire, zodat de werkgever op grond van artikel 7:611a lid 1 BW verplicht is de stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen?
- Moet iedere opleiding die onder de scholingsplicht van artikel 7:611a lid 1 BW valt op grond van lid 2 kosteloos worden aangeboden door de werkgever?
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt ten aanzien van vraag 1 dat de Beroepsopleiding voor advocaat-stagiaires een 'noodzakelijke scholing' is die valt onder de algemene scholingsplicht van artikel 7:611a lid 1 BW. Er is volgens de Hoge Raad geen sprake van een 'startkwalificatie' (zoals de universitaire opleiding rechten wel is), omdat de opleiding wordt gevolgd tijdens het werk ("training on the job"). De redenering van de Hoge Raad: advocaat-stagiaires staan al ingeschreven als advocaat, verrichten werkzaamheden als advocaat en ontvangen daarvoor een passende beloning. Dat het werken onder toezicht van een patroon gebeurt en sprake is van een voorwaardelijke inschrijving op het tableau, doet daar niet aan af. Dat wel sprake is van een vooropleiding is verdedigbaar, maar volgens de Hoge Raad zou dat standpunt niet goed aansluiten bij de werknemers beschermende strekking van artikel 7:611a BW en de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (als gevolg waarvan de regels ten aanzien het faciliteren en bekostigen van scholing zijn aangescherpt). Bovendien vindt de Hoge Raad het op grond van een beleidsregel bij de Verordening op de Advocatuur logischer om de opleiding niet als vooropleiding te beschouwen, omdat uit die beleidsregel kan worden afgeleid dat de beroepsgroep de opleiding beschouwt als dienstbaar aan het advocatenkantoor. In de beleidsregel staat namelijk het uitgangspunt dat de opleidingskosten door het kantoor van de patroon moeten worden gedragen.
Met het antwoord op vraag 2 maakt de Hoge Raad een einde aan de onduidelijkheid die er bestond over de verhouding tussen artikel 7:611a lid 1 en lid 2. De Hoge Raad oordeelt dat alle scholing die onder de algemene scholingsplicht van lid 1 valt, op grond van lid 2 kosteloos moet worden aangeboden door de werkgever. Een studiekostenbeding is in die gevallen nietig op grond van lid 4.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.