Legal Update
Bevoegdheidsverdeling tussen pandhouder en pandgever: verzoek AG om uitdrukkelijke uitlating van de Hoge Raad
Op 10 april 2026 heeft de Advocaat-Generaal (AG) bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak waarin centraal staat of een pandhouder bevoegd is om met een debiteur een schikking te treffen met betrekking tot een verpande vordering. Daarnaast rijst de vraag of een dergelijke bevoegdheid met goederenrechtelijke werking in de pandakte kan worden bedongen.
Waarover gaat deze zaak?
Een huurder weigerde een deel van de huur te betalen wegens gestelde gebreken aan het gehuurde. De verhuurder had de huurvordering verpand aan ING Bank. Nadat de pandgever failliet was verklaard, heeft ING als pandhouder met de huurder een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij een lager bedrag werd overeengekomen dan oorspronkelijk werd gevorderd. De vraag is of de pandhouder zelfstandig bevoegd was om een dergelijke schikking met de debiteur van de verpande vordering aan te gaan.
Welke rechtsvraag staat centraal?
Centraal staat de vraag of een pandhouder bevoegd is om met betrekking tot een verpande vordering een schikking te treffen, en of een dergelijke bevoegdheid met goederenrechtelijke werking in de pandakte kan worden bedongen.
In dit geval heeft ING, nadat haar schuldenaar failliet was verklaard, een schikking getroffen met de huurder met betrekking tot een aan haar verpande vordering. In haar algemene voorwaarden, die van toepassing zijn op de pandakte, had zij zich het recht voorbehouden om een dergelijke schikking te treffen.
Het hof heeft het standpunt van ING verworpen. Volgens het hof is de in de algemene voorwaarden opgenomen schikkingsbevoegdheid een contractuele regeling en geen goederenrechtelijke invulling van het pandrecht. Voor zover deze bevoegdheid contractueel is overeengekomen, is zij door het faillissement van de schuldenaar komen te vervallen op grond van artikel 7:424 lid 1 BW in samenhang met artikel 7:422 lid 1 onder a BW. Een goederenrechtelijke basis voor deze bevoegdheid acht het hof niet mogelijk, omdat dit zou neerkomen op een uitbreiding van het gesloten stelsel van goederenrechten.
Oordeel van AG Snijders
De AG gaat in zijn conclusie uitvoerig in op de toepassing van artikel 7:424 lid 1 BW juncto artikel 7:422 lid 1 onder a BW op een beding in de pandakte. Daarbij staat centraal in hoeverre de bevoegdheden van een pandhouder contractueel kunnen worden vormgegeven en of daaraan goederenrechtelijke werking kan worden toegekend.
De AG beantwoordt deze vraag ontkennend. Volgens hem kan niet met goederenrechtelijk effect worden overeengekomen dat een pandhouder bevoegd is om met een debiteur een schikking te treffen met betrekking tot een verpande vordering. Een dergelijk beding heeft daarom uitsluitend een verbintenisrechtelijk effect. Dit betekent dat de bevoegdheid wel contractueel kan worden toegekend, maar vervalt zodra het faillissement van de pandgever intreedt.
Daarnaast benadrukt de AG dat het goederenrecht wordt gekenmerkt door een gesloten stelsel. In dat kader sluit hij expliciet aan bij de arresten IAE/Neo River en MFE/Stibbe in relatie tot artikel 3:246 BW. Hoewel in de literatuur ook opvattingen bestaan die ruimte zien voor uitbreiding van dit stelsel, is een dergelijke wijziging volgens de AG voorbehouden aan de wetgever.
De AG ziet dan ook geen ruimte voor uitbreiding en beschouwt artikel 3:246 BW als dwingend recht. Daarbij merkt hij op dat in het arrest MFE/Stibbe geen expliciet antwoord is gegeven op de vraag of dit artikel inderdaad van dwingend recht is. Volgens de AG ligt het daarom voor de hand dat de Hoge Raad zich hierover in deze zaak uitdrukkelijk zal uitlaten, mede gezien de behoefte aan duidelijkheid in de praktijk.
Waarom is dit relevant voor de praktijk?
Voor de insolventiepraktijk is deze kwestie van groot belang. In situaties waarin vorderingen zijn verpand, wil een pandhouder doorgaans niet alleen kunnen innen, maar ook de mogelijkheid hebben om te onderhandelen over de omvang of afwikkeling van de verpande vordering. Denk hierbij aan het beslechten van discussies over verrekening, verweren van de debiteur, kwaliteitsgebreken of incassorisico’s.
De conclusie van de AG maakt duidelijk dat inning niet zonder meer gelijkstaat aan het kunnen treffen van een schikking. Dit onderscheid is met name relevant in faillissementssituaties, waarin de belangen van pandhouder, curator en boedel uiteen kunnen lopen, terwijl onderhandelingsruimte juist van groot belang kan zijn.
Daarnaast is de conclusie relevant voor lopende uitwinnings- en faillissementsdossiers. De AG acht het wenselijk dat de Hoge Raad zich expliciet uitlaat over een punt dat in het arrest MFE/Stibbe onbesproken is gebleven. Meer duidelijkheid kan discussies achteraf voorkomen over bevoegdheid, geldigheid en de bindende kracht van regelingen die bijvoorbeeld in bankvoorwaarden, zoals die van ING Bank, zijn opgenomen.
Met zijn conclusie plaatst de AG de bevoegdheidsverdeling tussen pandhouder en pandgever opnieuw scherp op de agenda. Het is nu aan de Hoge Raad om duidelijkheid te geven over de vraag hoeveel ruimte de pandhouder in dit kader daadwerkelijk heeft.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.