Legal Update
Hoge Raad oordeelt over recht op vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid universitair docent
Afgelopen vrijdag 11 juli 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak (ECLI:NL:HR:2025:1140) gedaan in een kwestie waarbij de arbeidsovereenkomst van een universitair docent was ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. De universitair docent stelde, kort gezegd, dat de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst het gevolg was van een door haar gepubliceerd essay. Zij vond dat dit een inperking was op haar recht op vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid.
Wat speelde er?
De docent trad in 2009 in dienst bij de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en maakte in 2013 de overstap naar de Faculteit Economie en Bedrijfskunde. Daar stroomde zij in als universitair docent (UD 2), met uitzicht op doorstroom naar hogere functies binnen een duidelijk loopbaanbeleid. Binnen deze structuur kon zij na enkele jaren en op basis van prestaties en een positief advies van de Commissie Interne Promoties (CIP), doorgroeien tot universitair hoofddocent (UHD).
Die groeistappen zette zij ook: in 2015 werd zij, na benoeming tot UD 1, eerder dan gepland bevorderd tot UHD 2. Wel kreeg zij daarbij een belangrijk aandachtspunt mee van de CIP: meer publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. In de jaren die volgden werkte de docent aan publicaties en sprak zij openlijk de ambitie uit om door te groeien naar UHD 1. Haar leidinggevende was daarover positief, maar vond dit nog te vroeg. De leidinggevende meende dat er nog onvoldoende invulling was gegeven aan het eerdergenoemde aandachtspunt.
De verhoudingen verslechterden in 2018 drastisch toen de docent haar leidinggevende per brief beschuldigde van seksediscriminatie en “scientific harassment”. Een onderzoek wees die beschuldigingen van de hand, maar het vertrouwen was ernstig beschadigd. Bemiddelingspogingen en andere pogingen van de leidinggevende tot het voeren van gesprekken liepen op niets uit.
In juni 2019 publiceerde de docent een kritisch essay in een internationaal wetenschappelijk tijdschrift. In het stuk uitte zij fundamentele kritiek op diversiteitsregelingen in de academie. In het essay werd onder andere verwezen naar praktijken binnen haar eigen faculteit. Dit leidde binnen de vakgroep tot onrust; verschillende hoogleraren voelden zich persoonlijk geraakt door de bewoordingen in het essay. In de jaren die volgden probeerde de faculteit en de RUG de situatie op te lossen, waarbij docent alsnog met terugwerkende kracht per 1 januari 2019 werd bevorderd tot UHD 1. Daaraan werden voorwaarden verbonden, waaronder mediation en coaching gericht op de soft skills. De docent wilde hier niet in meegaan en uiteindelijk is, na het volgen van een mediationtraject en pogingen tot herplaatsing, door de RUG een ontbindingsverzoek ingediend.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3, sub g BW (verstoorde arbeidsverhouding). De docent ging vervolgens in hoger beroep. Zij stelde daarbij onder andere dat de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst een rechtstreeks gevolg was van het door haar gepubliceerde essay en dat die sanctie een onaanvaardbare inmenging in haar recht op vrijheid van meningsuiting en haar academische vrijheid vormde. Het hof ging daaraan voorbij. Het hof oordeelde dat het essay weliswaar een onderdeel uitmaakte van de gebeurtenissen die uiteindelijk tot ontbinding hebben geleid, maar dat het niet was aan te merken als oorzaak of essentiële schakel die heeft geleid tot het ingediende ontbindingsverzoek. De vertrouwensbreuk was al in 2018 ontstaan, dus ruim vóór publicatie van het essay.
De docent was het ook met het oordeel van het hof niet eens en heeft cassatie ingesteld.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen. De publicatie van het essay valt inderdaad onder het door artikel 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting, inclusief de academische vrijheid en een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan als sanctie daarop worden beschouwd, maar dat geldt alleen als de gevraagde ontbinding uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg is van de uiting.
Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht geconcludeerd dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg was van de publicatie van het essay. Bij de beoordeling of sprake is van een causaal verband tussen een door de vrijheid van meningsuiting bestreken uiting en een arbeidsrechtelijke sanctie, zoals ontslag, moet worden gelet op het geheel van relevante gebeurtenissen in hun onderlinge samenhang. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat de vertrouwensbreuk al vóór het essay was ontstaan en nadien is voortgezet, onder meer door herhaaldelijk conflict over promotie-eisen en communicatie met collega’s. Het oordeel van het hof moet volgens de Hoge Raad zo worden begrepen dat ook zonder het gepubliceerde essay, de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding zou zijn geëindigd.
De Hoge Raad oordeelt dan ook dat geen sprake is van een schending van het recht op vrijheid van meningsuiting. Ook is de Hoge Raad van mening dat door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen sprake is van een schending van het recht op academische vrijheid.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze specialisten.