De vervaltermijn bij productaansprakelijkheid voor afzonderlijke onderdelen van een product

26-07-2021

Voor schade die wordt veroorzaakt door een gebrek in een product kan de producent op grond van artikel 6:185 BW aansprakelijk worden gehouden. Het recht op schadevergoeding van een benadeelde jegens de producent vervalt tien jaar nadat de producent het product in het verkeer heeft gebracht (art. 6:191 lid 2 BW). Anders dan bij een verjaringstermijn kan een vervaltermijn niet gestuit worden, wat betekent dat een kwestie vóór het verlopen van de vervaltermijn aan de rechter moet zijn voorgelegd.
In een recent arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 stond de vraag centraal wanneer de vervaltermijn aanvangt bij een uit afzonderlijke onderdelen bestaande heupprothese. 

Een patiënt heeft in 2004 in het ziekenhuis een operatie ondergaan waarbij een heupprothese is geplaatst. De betreffende heupprothese bestaat uit vier onderdelen, namelijk een metalen kom en een metalen kop met in de kop een adapterhuis waaraan een steel is bevestigd. Deze onderdelen zijn op verschillende data in het verkeer gebracht. Zo heeft de kop op 11 februari 2004 het productieproces verlaten om in het verkoopproces te worden opgenomen, de steel op 5 juni 2004, de kom op 7 augustus 2004 en het adapterhuis op 18 augustus 2004. In 2012 is bij de patiënt, als gevolg van slijtage en corrosie van de heupprothese, een verhoging van de kobalt- en chroomwaarden geconstateerd. De kop en kom van de heupprothese zijn vervolgens verwijderd.

Op 19 mei 2014 is de patiënt een procedure gestart waarbij schadevergoeding wordt gevorderd van de producent die deze heupprothese op de markt heeft gebracht. Door de producent werd onder andere het verweer gevoerd dat het recht om schadevergoeding te vorderen was komen te vervallen, omdat de kop van de heupprothese meer dan tien jaren voorafgaand aan de datum van de dagvaarding in het verkeer was gebracht. In dat kader betrof de kernvraag of de onderdelen waaruit de heuprothese was samengesteld ieder afzonderlijk waren aan te merken als een (eind)product in de zin van artikel 6:187 lid 1 BW, of dat de (samengestelde) heupprothese kwalificeerde als (eind)product. Oftewel: wanneer ving de vervaltermijn van 10 jaar aan?  

De Hoge Raad overwoog in het geval een heupprothese tijdens de operatie in elkaar wordt gezet, niet kan worden gesproken van een op dat moment door de producent geproduceerd en in het verkeer gebracht (eind)product. Het samenstellen van de heupprothese is dus geen nieuw in het verkeer gebracht product in de zin van art. 6:187 lid 1 BW, en doet daarom geen nieuwe vervaltermijn aanvangen.

Naar het oordeel van de Hoge Raad zijn de onderdelen ieder afzonderlijk aan te merken als product, en nu de onderdelen afzonderlijk van elkaar in het verkeer zijn gebracht kent ieder onderdeel een eigen vervaltermijn. Dit brengt mee dat wanneer de kom als gebrekkig in de zin van art. 6:186 BW wordt aangemerkt, bijvoorbeeld omdat de kom schade veroorzaakt als hij in contact komt met de kop, de vervaltermijn is aangevangen op 8 augustus 2004. Dat de producent niet (meer) aansprakelijk kan zijn voor de kop omdat de vervaltermijn van de kop al was voltooid, doet daaraan volgens de Hoge Raad niets af.

De conclusie die uit dit arrest kan worden getrokken, is dat wanneer een product uit verschillende onderdelen is samengesteld waarvan de onderdelen afzonderlijk als (eind)product in de zin van art. 6:187 lid 1 BW worden aangemerkt, ieder onderdeel c.q. product een eigen vervaltermijn heeft. Wordt de gebrekkigheid van een product veroorzaakt door een combinatie van twee van die onderdelen, dan kan de producent aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door het gebrek van dat onderdeel c.q. product waarvan de vervaltermijn (nog) niet is verlopen, ook als voor het andere onderdeel de vervaltermijn wel al is verlopen.

Dit is een Legal Update van Nikki Nuijten en Jonna De Clerck.

Download als pdf 

Specialist(en)