Wetsvoorstel drempelverlaging omgang grootouders

08-11-2022

Op 1 juli 2022 is het wetsvoorstel voor de Wet drempelverlaging omgang grootouders ter internetconsultatie voorgelegd. In het wetsvoorstel wordt de drempel voor grootouders om omgang met hun kleinkind te kunnen verzoeken verlaagd. Hierdoor kan een omgangsverzoek eerder in behandeling worden genomen waardoor er bij ongewild contactverlies tussen de grootouder en het kleinkind gemakkelijker toegang tot de rechter is.

Huidige wettelijke regeling

Op dit moment kunnen grootouders een verzoek tot omgang met hun kleinkind indienen bij de rechtbank wanneer het niet lukt om in onderling overleg met de ouders tot een omgangsregeling met het kind te komen, en alleen als zij een nauwe persoonlijke betrekking met het kind hebben. De rechter zal dan eerst beoordelen of de grootouders een nauwe persoonlijke betrekking hebben met het kind. Indien dit niet het geval is, zijn grootouders niet-ontvankelijk in hun verzoek en wordt het verzoek van de grootouders niet inhoudelijk beoordeeld. Oordeelt de rechter dat wel sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, dan beoordeelt de rechter vervolgens of een omgangsregeling in het belang van het kind is en zo ja, wat de omvang van de omgangsregeling moet zijn.  

Wetsvoorstel Wet drempelverlaging omgang grootouders

Aanleiding voor het wetsvoorstel is een in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) verricht onderzoek naar omgang tussen grootouders en hun kleinkinderen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de drempel voor grootouders om ontvankelijk te zijn in hun verzoek relatief hoog ligt in vergelijking met omringende landen, omdat moet worden aangetoond dat sprake is een nauwe persoonlijke betrekking. Hiervoor is nodig dat grootouders meer dan het gebruikelijke contact met hun kleinkind hebben.

Volgens het voorontwerp van de memorie van toelichting is door deze open norm onduidelijkheid ontstaan over de invulling van het begrip nauwe persoonlijke betrekking. Enerzijds kan op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval een belangenafweging worden gemaakt. Anderzijds gaat het ten koste van de rechtszekerheid, omdat rechters wisselend oordelen over de ontvankelijkheid van grootouders. In het onderzoek is geadviseerd om de drempel te verlagen door in de rechtspraktijk een andere invulling te geven aan het begrip nauwe persoonlijke betrekking en de wens van het kind leidend te laten zijn.

Het uitgangspunt in het wetsvoorstel is dat een bewijsvermoeden wordt toegevoegd aan de huidige wettelijke regeling, in die zin dat het wettelijke uitgangspunt wordt dat een grootouder wordt geacht een nauwe persoonlijke betrekking te hebben met een kleinkind. Er wordt dus vanuit gegaan dat de nauwe persoonlijke betrekking aanwezig is. Belanghebbenden (zoals een ouder van het kleinkind) kunnen dit bewijsvermoeden weerleggen door concrete omstandigheden aan te tonen waaruit blijkt dat er geen nauwe persoonlijke betrekking is tussen de grootouder en het kleinkind.  

Het wetsvoorstel wijzigt alleen de voorvraag of een verzoek tot omgang in behandeling kan worden genomen. De inhoudelijke toets van het omgangsverzoek blijft hetzelfde. Dit betekent dat de rechter van geval tot geval zal blijven toetsen of een omgangsregeling in het belang van het kind is.

Inmiddels is de internetconsultatie van het wetsvoorstel gesloten en zal de ministerraad een besluit nemen over het wetsvoorstel. Wij houden u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.

Dit is een Legal Update van Simone de Graaff en Sharon Verhoef.

Download als pdf

Specialist(en)