Rechtbank Den Haag legt gedupeerden van een kartel een bewaarplicht op

13-10-2016

De rechtbank Den Haag heeft op 21 september 2016 in een vonnis in incident een vrij vergaande bewaarplicht opgelegd aan partijen die vergoeding vorderen van geleden kartelschade. De rechtbank is van oordeel dat eisende partijen vanuit het oogpunt van equality of arms (gelijkheid van procespartijen) onder omstandigheden gehouden kunnen zijn stukken en gegevens veilig te stellen die de gedaagde karteldeelnemers nodig kunnen hebben om verweer te voeren tegen de gevorderde schadevergoeding.

Het vonnis is gewezen in de civiele procedure tussen CDC Project 14 SA (“CDC”) enerzijds en Shell Petroleum N.V. en diverse andere producenten van paraffinewas anderzijds. Shell c.s. is op 1 oktober 2008 beboet door de Europese Commissie vanwege haar betrokkenheid bij een kartel op de Europese markt voor paraffinewas en slack wax, dat vooral wordt gebruikt voor de productie van kaarsen. Een aantal afnemers van de karteldeelnemers (fabrikanten van kaarsen en/of waspapier) stellen schade te hebben geleden als gevolg van de ongeoorloofde kartelafspraken, doordat zij te hoge prijzen hebben betaald voor de inkoop van paraffinewas. Deze afnemers hebben hun civiele schadeclaims overgedragen aan CDC, een gespecialiseerde procesfinancier.

In het incident heeft Shell c.s. onder meer afgifte gevorderd van bepaalde bewijsstukken die zich onder de afnemers (of bij CDC) zouden bevinden, waaronder bescheiden met betrekking tot de verkoop van kaarsen en waspapier. Shell c.s. wil aan de hand van deze stukken onderzoeken in hoeverre de afnemers de te hoge prijzen op hun beurt hebben doorberekend aan hun eigen afnemers en hun kartelschade daarmee hebben gemitigeerd. Op basis daarvan wil Shell c.s. de omvang van de gevorderde schade betwisten met een beroep op het zogeheten ‘passing-on-verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank kon in redelijkheid worden verwacht dat CDC ervoor zou zorgen dat zij ofwel zelf over de relevante bewijsstukken zou beschikken dan wel dat de afnemers deze stukken zouden bewaren. Ondanks dat het aan gedaagden is om een passing-on verweer te voeren, dient CDC er volgens het vonnis voor te zorgen dat de bewijsstukken beschikbaar zijn, nu deze zich overwegend bij de afnemers bevinden. CDC hoeft bescheiden die niet meer voorhanden zijn vanwege het verlopen van toepasselijke bewaringstermijnen niet te verstrekken. Aangezien enkele van de bewijsstukken die eerder door CDC veilig gesteld had kunnen worden feitelijk niet meer beschikbaar zijn, geeft de rechtbank te kennen dat zij hieraan (te zijner tijd) de consequenties zal verbinden die haar geraden voorkomen.

Het vonnis is opmerkelijk, aangezien de eisende partij onder omstandigheden een verplichting wordt opgelegd om uit eigen beweging bescheiden te bewaren die de aangesproken karteldeelnemer te zijner tijd (voorzienbaar) nodig heeft om een passing-on verweer te kunnen voeren. De rechtbank overweegt dat de eisende partij er in dit geval rekening mee had kunnen en moeten houden dat zij geconfronteerd zou worden met een doorberekeningsverweer, en dat het gedaagden niet onmogelijk of uiterst moeilijk moet worden gemaakt om verweer te voeren (door de bescheiden niet te bewaren).

Gedupeerden van kartels en procesfinanciers doen er verstandig aan er rekening mee te houden dat zij – zodra zij voornemens zijn schadevergoeding te vorderen – niet alleen bewijsmateriaal moeten verzamelen waaruit blijkt dat er als gevolg van de kartelafspraken te hoge prijzen zijn betaald, maar dat zij mogelijk ook gehouden kunnen zijn om bescheiden te bewaren waaruit kan blijken in hoeverre deze schade (al dan niet) is doorberekend aan de eigen afnemers van de gedupeerden.

Dit is een Legal Update van Joost Möhlmann.

Download als pdf

Specialist(en)