Ook weigeringsgrond moet voldoende verband houden met doel subsidieregeling

24-07-2017

Op 5 juli jl. heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voor de subsidiepraktijk belangwekkende uitspraak gedaan. Aan de Afdeling lag de vraag voor of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking terecht de door Cinop aangevraagde subsidie heeft geweigerd. Cinop vroeg subsidie aan in het kader van de subsidieregeling Local Employment in Africa for development (LEAD) om de werkgelegenheid in Mali te versterken door het begeleiden van start-ups.

De minister heeft alle aanvragen op grond van de LEAD beoordeeld in een tenderprocedure, allereerst op basis van ontvankelijkheidsvereisten en drempelcriteria en vervolgens op kwaliteit. De aanvraag van Cinop is afgewezen, omdat Cinop niet voldeed aan het in de subsidieregeling geformuleerde drempelcriterium dat de bezoldiging van de bestuursleden maximaal € 163.000 per kalenderjaar mag bedragen. Niet ter discussie stond dat de bezoldiging van Cinop’s bestuursleden hoger is.

De Afdeling oordeelde eerder al, in uitspraken van 25 juni 2014 en 4 mei 2016, dat een bezoldigingsmaximum als subsidieverplichting niet geoorloofd is op basis van artikel 4:38 of 4:39 Awb, omdat het niet strekt tot verwezenlijking van het doel van de subsidie, maar inkomenspolitiek tot doel heeft.

In dit geval echter, heeft de minister de subsidie geweigerd. De beoordeling van de Afdeling vond dus plaats binnen een ander wettelijk kader, te weten de (niet-limitatieve) weigeringsgronden, zoals opgenomen in artikel 4:35 Awb. Vaststaat dat weigering ook plaats kan vinden op beleidsmatige gronden, mits zij binnen de wet- en regelgeving blijven, niet onredelijk en niet in strijd met de algemene beginselen van bestuur zijn, aldus de Afdeling. Wat ‘niet onredelijk’ is, licht de Afdeling niet toe.

De Afdeling oordeelt dat het drempelcriterium onvoldoende verband houdt met het doel van LEAD: het creëren van werkgelegenheid voor jongeren in Afrika. De Afdeling overweegt dat niet valt in te zien dat dit doel niet kan worden bereikt door organisaties die de bezoldigingsdrempel overschrijden. Dat subsidiegelden door dergelijke organisaties niet of minder doelmatig worden besteed, is niet gezegd, aldus de Afdeling. De Afdeling oordeelt dat de minister zijn bevoegdheid tot het afwijzen van de subsidieaanvraag in strijd met het verbod op détournement de pouvoir (artikel 3:3 Awb) heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid aan hem is verleend. Dat het drempelcriterium een gerechtvaardigd doel dient en politiek draagvlak heeft, doet hier volgens de Afdeling niets aan af. Weigeringsgronden die geen of onvoldoende verband houden met het doel van de subsidieregeling, zijn alleen toelaatbaar indien deze volgen uit een wet in formele zin. Alleen dan kan strijdigheid met het verbod van artikel 3:3 Awb worden weggenomen, aldus de Afdeling.

De Afdeling oordeelt dus expliciet dat ook voor weigeringsgronden geldt dat deze voldoende verband moeten houden met het doel van de subsidie. Voor ‘inkomenspolitiek’ geldt dat één en ander mijns inziens nog steeds de weg vrij laat om salariskosten boven een bepaalde norm niet subsidiabel te achten en te weigeren (vergelijk ook (de toelichting bij) artikel 9 lid 3 sub f van de Modelverordening en de Modelsubsidieregeling (artikel 5) van de VNG van juli 2016). Dan moet de subsidiesystematiek wel zo zijn dat er een rechtstreeks verband gelegd wordt tussen bepaalde kostenposten en de (hoogte van de) subsidie. Anders zal vermoedelijk alsnog geoordeeld worden dat er onvoldoende verband is met het doel van de subsidie.  

Dit is een Legal Update van Willemijn Oudenaarden.

Download als pdf

Specialist(en)