(Onenigheid over) de asbestemming

09-02-2021

Na het overlijden van een geliefde komt het nogal eens voor dat nabestaanden het niet eens zijn over wat te doen met de as van de overledene. Hoe dan te handelen?

Wet op de lijkbezorging

In Nederland is dit sinds 1 juli 1991 geregeld in de Wet op de lijkbezorging. Deze wet bepaalt wat er met het lichaam van een overledene dient te gebeuren na diens overlijden. Op grond van artikel 11 van deze wet moet de ambtenaar van de burgerlijke stand (kosteloos) schriftelijk verlof geven voor een begraving of crematie. Dit verlof kan door een ieder die de verklaring van overlijden overlegt, worden aangevraagd. Meestal is dit een van de nabestaanden (of de namens hen gevolmachtigde uitvaartondernemer). De aanvrager is vervolgens op grond van artikel 18 lid 1 van de Wet op de Lijkbezorging verplicht om te voorzien in de lijkbezorging. Hieronder valt de verantwoordelijkheid voor het geven van een bestemming aan de as van een gecremeerd lichaam.

Asbestemming conform de (vermoedelijke) wens van de overledene

Mag de aanvrager naar eigen inzicht bepalen wat er met de as van de overledene gebeurt? Het antwoord is nee. De wetgever heeft zich nadrukkelijk niet willen mengen in de onderlinge verhoudingen en rechten van de nabestaanden. Er is geen wettelijke volgorde wie welke zeggenschap heeft vastgesteld (zie bijv. Hof Amsterdam 1 december 2015). Op grond van artikel 18 van de Wet op de lijkbezorging is de wens of de vermoedelijke wens van de overledene bepalend.

Soms is de werkelijke wens van de overledene te achterhalen, bijvoorbeeld omdat de overledene de wens duidelijk heeft uitgesproken of deze heeft vastgelegd in een testament. Soms is het niet duidelijk wat de vermoedelijke wens is. In dat geval moet de vermoedelijke wens worden achterhaald. De vraag die dan beantwoord moet worden is wat op grond van de vaststaande feiten het meest waarschijnlijk is?

Geen overeenstemming nabestaanden over de asbestemming

Het komt voor dat de nabestaanden het hier niet over eens kunnen worden. Dan is het mogelijk om de zaak voor te leggen aan de civiele rechter in een kort geding of bodemprocedure. Er kan bijvoorbeeld afgifte (van een deel van) de as worden gevorderd of een (voorlopig) verbod om de as een onomkeerbare bestemming te geven.

Een dergelijke zaak speelde bij de Rechtbank Overijssel. Een aantal broers en zussen werd het niet eens over de vraag wat er met de as van moeder moest gebeuren. De eisers, 8 broers en zussen, wilden graag dat de as van moeder werd verstrooid op het strooiveld van het crematorium. Moeder wilde volgens hen niet ''opgesloten'' zitten in een asbus. Gedaagde, broer van de eisers en aanvrager van het verlof voor de crematie, was het daar niet mee eens. Hij is jarenlang de mantelzorger voor moeder geweest. Moeder was er volgens hem mee akkoord dat de urn bij hem thuis zou komen te staan.

De rechtbank oordeelde dat moeder vermoedelijk heeft gewenst dat haar as verstrooid zou worden. Hier waren meer aanknopingspunten voor. De as van vader was ook verstrooid. Moeder werd (volgens een van de eisers) vroeger door haar broers wel eens opgesloten in de kelder en had daarom een soort claustrofobie ontwikkeld. Vlak na het overlijden van moeder heeft gedaagde samen met drie andere broers en zussen een gesprek gehad met een medewerker van het crematorium. Zij waren het eens over een sobere crematie en het uitstrooien van de as over het strooiveld. Gedaagde heeft in eerste instantie zelf opdracht gegeven aan het crematorium om de as te verstrooien.

Kan de as niet opgesplitst worden?

Gedaagde heeft op grond van artikel 6:3 BW en artikel 6:248 BW (de redelijkheid en billijkheid) aan de rechtbank gevraagd of hij, als de as zal worden verstrooid, een deel van de as mag houden. Die artikelen zijn niet van toepassing. De rechtbank kan daarom niet oordelen dat gedaagde een deel van de as mag houden. Toch geeft de rechtbank twee dingen mee aan partijen:

''In de eerste plaats staat er aan eisers niets in de weg om gedaagde toch een deel van de as te gunnen. Vast staat dat gedaagde jarenlang met moeder heeft samengewoond en de dagelijkse verzorging van moeder op zich heeft genomen. Als moeder had geweten dat gedaagde graag een deel van de as wilde houden, had ze dat misschien wel goed gevonden, ook al heeft ze dat niet tegen de andere broers en zussen gezegd.

In de tweede plaats: de as van moeder is niet moeder. Het is slechts wat er over is van haar gestorven lichaam. Moeder leeft als het goed is voort in het hart/de herinneringen van haar kinderen. Niet in haar as.''

Conclusie

Om onenigheid over de asbestemming te voorkomen, is het verstandig om zelf uw wensen vast te leggen. De wens van de overledene prevaleert immers.

Dit is een Legal Update van Els van Bruggen en Laurien Berghuis-Knijff.

Download als pdf

Specialist(en)