De bijzondere kantongerechtprocedure bij handelsnaaminbreuken

Datum: 8 december 2015

Indien een handelsnaam wordt gevoerd in strijd met de Handelsnaamwet ("HNW"), kan iedere belanghebbende naast de gewone procedure bij de rechtbank of het kort geding ook kiezen voor een procedure bij de kantonrechter (ofwel de rechtbank sector kantonzaken). Deze in artikel 6 HNW neergelegde procedure wordt ingeleid met een verzoekschrift en de kantonrechter beslist dan ook bij beschikking. 

In een recente uitspraak van de Hoge Raad van 4 december 2015 besteedt de Hoge Raad - voor het eerst - specifiek aandacht aan deze bijzondere bij de kantonrechter te voeren procedure, met name voor wat betreft de in de beoordeling te betrekken omstandigheden en de mogelijkheid tot het vorderen van vergoeding van de volledige proceskosten. 

De belanghebbende kan in een artikel 6 HNW procedure de kantonrechter verzoeken om degene die de "verboden" handelsnaam voert te veroordelen daarin zodanige wijziging aan te brengen, dat er niet langer sprake is van een onrechtmatigheid. Belangrijk om te beseffen is dat behoudens een dwangsomveroordeling geen ruimte is voor nevenvorderingen. Een andere beperking is dat ook geen andere of bijkomende gronden buiten de HNW kunnen worden aangevoerd, zoals bijvoorbeeld strijd met het BVIE of de Auteurswet dan wel een onrechtmatige daad. 

De Hoge Raad oordeelt in bovengenoemd arrest allereerst dat een "handelsnaam" in de zin van de HNW ziet op het geheel van tekens dat gebezigd wordt om een onderneming bij het publiek identiteit te geven. De vormgeving van de naam maakt daarvan geen onderdeel uit.
De vormgeving speelt evenwel een rol bij de beoordeling van het verwarringsgevaar zoals vereist voor een handelsnaaminbreuk, nu daarbij alle omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen. Hierbij kunnen onderschriften, logo's en andere (visuele) aspecten dus wel degelijke relevant zijn.  

Ook was tot voor kort onduidelijk of in de artikel 6 procedure wel een vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten kon worden ingesteld conform artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ("Rv"). Artikel 1019h Rv spreekt namelijk slechts over de toepasselijkheid in procedures krachtens artikelen 5 en 5a HNW. In het arrest oordeelt de Hoge Raad dat indien de artikel 6 procedure gegrond is op een handelsnaaminbreuk conform artikel 5 (het voeren van een handelsnaam die een oudere handelsnaam is of bevat) of artikel 5a (het voeren van een handelsnaam die het merk van een ander bevat), artikel 1019h Rv gewoon van toepassing is. 

Mogelijk dat deze uitspraak ervoor gaat zorgen dat een artikel 6 HNW procedure vaker zal worden opgestart of op zijn minst wordt overwogen bij handelsnaamgeschillen. Wel blijft de onmogelijkheid van het vorderen van verdere nevenvorderingen een niet onbelangrijke beperking ten aanzien van het maximaal te behalen resultaat. De artikel 6 HNW procedure zal naar verwachting dan ook uitsluitend een reëel te overwegen alternatief zijn bij de meer simpele handelsnaamgeschillen. 

Dit is een Legal Update van Iris Jansen. Klik hier voor pdf. 

Voor meer informatie: 

Iris Jansen
+31 30 259 55 78
irisjansen@vbk.nl