Fixatiebeginsel

De faillietverklaring door de rechtbank heeft terugwerkende kracht. Dat wil zeggen dat het faillissement in werking is getreden om 00:00 uur op de dag waarop het faillissement werd uitgesproken. Dit creëert het ‘hakbijleffect’ van het faillissement: het vermogen van de schuldenaar wordt op dat tijdstip gefixeerd. De rechtsverhoudingen die partijen met de failliet hebben, zijn vanaf dat moment onveranderlijk. Deze hoofdregel heeft gevolgen voor de positie en rangorde van schuldeisers in het faillissement.

Beheers- en beschikkingsbevoegdheid

Artikel 23 Fw bepaalt allereerst het moment van het intreden van het faillissement. Daarnaast wordt in het artikel bepaald dat de gefailleerde vanaf het moment van faillietverklaring het beheer en de beschikking over zijn vermogen verliest. Dit heeft niet alleen betrekking op het vermogen dat de failliet op dat moment bezit, maar ook op al hetgeen hij gedurende het faillissement zal verwerven (artikel 20 Fw). Na aanvang van het faillissement neemt de curator het beheer over het vermogen over. De failliet is vanaf dat moment onbevoegd om zelf verplichtingen met derden aan te gaan of betalingen aan derden te voldoen. Indien de failliet na faillissementsdatum toch betalingen verricht, kunnen deze door de curator worden teruggevorderd.

Girale betalingen

Het fixatiebeginsel speelt een belangrijke rol bij girale betalingen. Deze betalingen vinden plaats via de bank: aan de bank wordt de opdracht gegeven om een bedrag over te boeken naar een rekening van een ander. In een dergelijke overboeking zit enige verwerkingstijd. Terwijl het bedrag al bij de overboeking van de rekening van de schuldenaar wordt gehaald, wordt de rekening van de ontvanger vaak pas de volgende dag met datzelfde bedrag gecrediteerd. Indien tussen deze twee momenten het faillissement van de schuldenaar wordt uitgeroepen, is het de vraag of het geld in de boedel valt of aan de ontvangende partij toekomt. De Hoge Raad heeft hierover geoordeeld dat een betaling geacht wordt te zijn overgemaakt op het moment dat het bedrag op de rekening van de ontvangende partij wordt gecrediteerd. Dat betekent dat een geldbedrag niet teruggevorderd kan worden door de curator indien deze voor faillissementsdatum op de rekening van de ontvangende partij is bijgeschreven, maar wel als dat op faillissementsdatum nog niet het geval was.

Vorderingen na faillissementsdatum

Vorderingen op de gefailleerde die zijn ontstaan voordat het faillissement werd uitgeroepen kunnen in beginsel worden ingediend ter verificatie bij de curator. Dit geldt bijvoorbeeld voor onbetaald gebleven facturen. Leidend hierbij is dat de rechtsverhouding waaruit de schuld voortvloeit vóór faillissement is ontstaan. Vorderingen die na faillissementsdatum zijn ontstaan, kunnen niet ter verificatie worden ingediend (artikel 24 Fw). De failliet kan op grond van het fixatiebeginsel immers na faillietverklaring geen nieuwe verplichtingen meer aangaan. In beginsel komen daarom slechts de vorderingen die op het moment van faillietverklaring bestonden in aanmerking voor uitkering.

Ook op deze regel bestaat een uitzondering. Enkele vorderingen die na faillissementsdatum ontstaan kunnen namelijk worden gekwalificeerd als boedelvorderingen. Boedelvorderingen hoeven niet bij de curator te worden ingediend ter verificatie en genieten voorrang boven de vorderingen van andere schuldeisers. Boedelschulden kunnen ontstaan (i) ingevolge de wet, of (ii) omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, of (iii) omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.

Op grond van de wet vormen enkele vorderingen vanaf de dag van faillietverklaring een boedelschuld, zoals huurvorderingen (artikel 39 Faillissementswet) en loonvorderingen (artikel 40 Fw). Daarnaast ontstaan boedelvorderingen wanneer de curator zelf verplichtingen met partijen aangaat. De curator kan verplichtingen aangaan in het kader van zijn taak tot beheer en vereffening van de boedel. Daarbij moet worden gedacht aan diensten van derden, zoals een taxatie door een taxateur. Verder kan de curator ook een boedelschuld doen ontstaan door in strijd te handelen met een verplichting of verbintenis. Niet elke handeling in strijd met een verbintenis resulteert echter in een boedelschuld. Indien een curator bijvoorbeeld een huurovereenkomst opzegt op grond van artikel 39 Fw, ontstaat hieruit geen boedelvordering uit hoofde van schadevergoeding. Een boedelschuld kan daartegenover wel ontstaan wanneer een curator in strijd handelt met wetgeving en hierdoor schade is ontstaan.

Conclusie

Het faillissement kenmerkt zich door het hakbijleffect. Hiermee wordt het vermogen dat zich op de faillissementsdatum in de boedel bevindt, gefixeerd. Vorderingen die zijn ontstaan uit een rechtsverhouding van voor intreding van het faillissement, kunnen worden ingediend ter verificatie. Na faillissementsdatum kan de failliet geen nieuwe rechtshandelingen verrichten, waardoor vorderingen die zijn ontstaan na de faillissementsdatum niet ter verificatie kunnen worden ingediend. Na intreding van het faillissement kan wel een boedelvordering ontstaan. Een boedelvordering ontstaat echter slechts in een beperkt aantal gevallen. Schuldeisers dienen te voorkomen dat zij verplichtingen met de failliet aangaan na faillissementsdatum, zonder dat zij hiertoe uitdrukkelijk hebben gecontracteerd met de curator. Doen ze dat toch, dan zullen hun facturen onbetaald blijven.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan gerust contact op met Lucas van Walraven of
Hugo Wolterink.

Download als pdf