De lex silencio positivo vervalt in de nieuwe Omgevingswet: wat zijn de gevolgen?

Deze blog maakt onderdeel uit van het thema 'Wat staat ons te wachten?' in de reeks ‘Aftellen naar de Omgevingswet’.

Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de lex silencio positivo (hierna: 'lsp') in het omgevingsrecht. Dit betekent dat er vanaf 1 juli 2022 niet langer een vergunning van rechtswege ontstaat wanneer een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. We zoomen in op de gevolgen voor de praktijk op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Waarom wil de wetgever de vergunning van rechtswege schrappen in het omgevingsrecht?

De vergunning van rechtswege is een belangrijk instrument voor het versnellen van besluitvorming: het is een grote incentive voor het bestuursorgaan om binnen de beslistermijn op een aanvraag een besluit te nemen. Maar gezien een aantal vernieuwingen die de Omgevingswet met zich meebrengt, kan de lsp volgens de wetgever niet gehandhaafd worden in het omgevingsrecht.

Wat zijn de gevolgen direct voor en na inwerkingtreding voor lopende aanvragen?

De lsp vervalt onmiddellijk na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Maar wat betekent dat precies voor aanvragen voor omgevingsvergunning die nog onder het oude recht zijn ingediend? Op basis van het overgangsrecht kunnen de volgende twee situaties worden onderscheiden:

  1. De aanvraag voor een omgevingsvergunning is vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet ingediend, maar op 1 juli 2022 is de beslistermijn nog niet geëindigd. Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet is er dus ook nog geen sprake van een vergunning die van rechtswege is ontstaan. In dat geval gaat dit ook niet meer gebeuren, wat volgt uit artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet (hierna: 'IOw').

Let op: op grond van artikel 3.9 lid 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: 'Wabo') kan een bestuursorgaan de originele beslistermijn van 8 weken met 6 weken verlengen en daarnaast kan een bestuursorgaan een aanvrager via artikel 4:5 Awb vragen om aanvullende gegevens en daar een termijn voor stellen. Gedurende deze termijn schort de beslistermijn op en kan er geen vergunning van rechtswege ontstaan.[1]  

  1. De omgevingsvergunning van rechtswege is vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaan, met andere woorden: de beslistermijn is vóór 1 juli 2022 verstreken, maar de vergunning is nog niet van kracht geworden. Op grond van artikel 6.1 lid 4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt namelijk dat een vergunning die van rechtswege is ontstaan pas in werking treedt nadat de bezwaartermijn is verstreken (of op een eventueel ingediend bezwaar is beslist). En vervolgens geldt dat zonder bekendmaking van de van rechtswege ontstane vergunning, de bezwaartermijn niet aanvangt (en de beslissing dus ook niet in werking kan treden). De wetgever stelt in de memorie van toelichting bij IOw dat in dit geval het oude recht wél van toepassing blijft.[2] Dit betekent dat er dan wél een vergunning van rechtswege is ontstaan die nog kan worden 'verzilverd', terwijl de Omgevingswet dan al wel in werking is getreden.   

Kortom, als een initiatiefnemer nog wil profiteren van een vergunning van rechtswege, dan moet een aanvraag om omgevingsvergunning ruim vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden ingediend. Hierbij moet rekening worden gehouden dat de reguliere beslistermijn van 8 weken in de praktijk vaak tot 14 weken wordt verlengd en dat het bestuursorgaan kan vragen om aanvullende gegevens, waardoor de beslistermijn langer duurt. Het is dus raadzaam om ruim op tijd een (lsp)-vergunning aan te vragen.

Staan initiatiefnemers met lege handen na inwerkingtreding van de Omgevingswet?

Het wegvallen van de lsp laat onverlet dat het bestuursorgaan een inspanningsverplichting heeft om tijdig te beslissen op aanvragen. In gevallen waarin het een bestuursorgaan vervolgens niet lukt om op tijd een besluit te nemen, kan een initiatiefnemer wel gebruik maken van de regeling dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (na een schriftelijke ingebrekestelling gaat het bestuursorgaan dwangsommen verbeuren en de initiatiefnemer kan naar de bestuursrechter stappen om besluitvorming af te dwingen).

Dus helemaal met lege handen blijven initiatiefnemers niet achter, maar zeker geldt dat het in onze ogen meest effectieve middel om tijdige besluitvorming af te dwingen, verdwijnt.

Deze blog is geschreven door Merel Holtkamp en Melinda Gayir en is onderdeel van onze reeks over de Omgevingswet. Heeft u vragen naar aanleiding van een van onze blogs over de Omgevingswet, neemt u dan gerust contact met ons op. Wij zijn u graag van dienst.

Download als pdf

 

[1] Overigens bestaan er nog meer mogelijkheden dat de beslistermijn wordt opgeschort omdat de aanvraag moet worden aangehouden. Zie bijvoorbeeld de artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 Wabo.
[2] Zie Kamerstukken II, 2017/2018, 34 986, nr. 3

Aanmelden Nieuwsbrief 'Aftellen naar de Omgevingswet'

Specialist(en)