×

Zorgplicht van een hbo-onderwijsinstelling voor een studente met bij deze onderwijsinstelling bekende psychische problematiek

27 jun 2019

Home  »  Artikelen  »  Zorgplicht van een hbo-onderwijsinstelling voor een studente met bij deze onderwijsinstelling bekende psychische problematiek

In Jurisprudentie Aansprakelijkheid (JA) 2019, nr. 5, schreef Gert Jan Boeve een annotatie bij het vonnis van de Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 6 februari 2019.

Samenvattend ging het in deze zaak om het volgende. Een studente heeft sinds 2005 in totaal acht jaren ingeschreven gestaan bij de bekostigde lerarenopleiding geschiedenis aan de bekostigde Hogeschool Windesheim. Door verschillende psychische en lichamelijke problemen, die uiteindelijk resulteerden in een depressie, heeft zij vanaf september 2007 nauwelijks onderwijs gevolgd. In september 2008 heeft zij in verband daarmee Windesheim om hulp gevraagd bij (de voortgang van) haar studie. Mede daardoor wist Windesheim van de psychische problemen van de studente. Windesheim had voorts gesignaleerd dat de studente (sindsdien) geen onderwijs volgde en geen studievoortgang boekte. In deze omstandigheden verweet de studente Windesheim dat zij haar geen begeleiding had geboden en vorderde de studente op grond van primair wanprestatie en subsidiair onrechtmatige daad schadevergoeding van Windesheim. Windesheim had naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist dat op haar een zorgplicht jegens de studente rustte. Deze zorgplicht is volgens de rechtbank, zoals partijen ook erkenden, te kwalificeren als een inspanningsverplichting. Windesheim meende dat zij deze inspanningsverplichting jegens de student was nagekomen en benadrukte dat van een volwassen student aan een hbo-instelling een bepaalde mate van zelfstandigheid mag worden verwacht. De rechtbank oordeelde dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende onderwijsinstelling in een dergelijke situatie verwacht mag worden dat deze actief contact zoekt met de student om de studievoortgang te bespreken en deze daarover en over een – al dan niet tijdelijke – beëindiging van de opleiding te adviseren. De door Windesheim genoemde reguliere uitnodigingen die aan de studenten zouden zijn gestuurd, waren wat dit betreft onvoldoende, mede omdat ook vaststond dat de studente daarop telkens niet had gereageerd. Het beroep van Windesheim op de zelfstandigheid van de studente slaagde naar het oordeel van de rechtbank niet, omdat vanwege de psychische problemen sprake was van een bijzondere situatie.

Gert Jan gaat in zijn annotatie in op de kwalificatie van de onderwijsovereenkomst tussen Windesheim en de studenten. Voorts besteedt hij aandacht aan de zorgplicht van de onderwijsinstelling en de positie van Windesheim, alsook het door de rechtbank gepasseerde verjaringsverweer van Windesheim. In de annotatie wordt de uitspraak geplaatst binnen de jurisprudentie over deze thema’s.

Voor meer informatie:

Gert Jan Boeve
+31 30 25 95 594
gertjanboeve@vbk.nl 

Share This