
Nieuwsbrief Gezondheidszorg juli 2008
Het Centraal Tuchtcollege heeft op 4 maart 2008 een uitspraak
gedaan inzake de zeeffunctie van de praktijkassistente. Naast een
weergave van de grenzen die aan de zeeffunctie van de
praktijkassistente gesteld worden, geeft de uitspraak van het
college aanleiding tot enkele kritische kanttekeningen. De
uitspraak lijkt maar moeilijk te verenigen met het aan het medische
tuchtrecht ten grondslag liggende beginsel van persoonlijke
verwijtbaarheid.
Feiten en omstandigheden
Op zondagavond 16
maart wendde klaagster zich met haar zes maanden oude dochtertje
tot een huisartsenpost. De dienstdoende huisarts op de post, tegen
wie de klacht zich richt, ging uit van een virale besmetting. De
volgende dag heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de
praktijk van de huisarts, die toen voor de eigen huisarts van
klaagster waarnam. Zij werd door een praktijkassistente te woord
gestaan. Vervolgens heeft de praktijkassistente de huisarts niet op
de hoogte gesteld van het telefonisch contact. Nadat klagers zich
de volgende dagen nog met de baby tot andere huisartsen hadden
gewend, is de baby op 20 maart aan de gevolgen van een
pneumococcenmeningitis overleden.
Het Centraal Tuchtcollege moest beoordelen of het de aangeklaagde
huisarts te verwijten valt dat zijn praktijkassistente het
telefoontje zelf heeft afgehandeld en hiervan op geen enkele manier
mededeling heeft gedaan aan de huisarts.
Klik hier voor o.a. het hele artikel.