
De Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (OK) besliste
op 28 december 2006 dat er een onderzoek moet komen naar de
gebeurtenissen die hebben geleid tot de teloorgang van KPNQwest.
Het betreft een uitgebreid gemotiveerde beschikking, waarin veel
onderwerpen aan de orde komen.
In het eerste openbare verslag van de curatoren van
KPNQwest werd de aanleiding voor de aan het faillissement
voorafgaande surseance van betaling als volgt verklaard:
"Voor 2002 verwachtte KPNQwest een groepsomzet van
ca. € 1 miljard. In het eerste kwartaal van 2002 heeft de
groep een verlies geleden van ongeveer €280 miljoen. Volgens
opgave van de directie zag het er aanvankelijk naar uit
dat het tij in de tweede helft van 2002 zou keren. Na verloop
van tijd bleken de vooruitzichten echter verschillende
malen neerwaarts te moeten warden bijgesteld. De markt
waarop KPNQwest zich begeeft, zou onverwacht snel zijn
verslechterd. De verzwakte vraag van afnemers tastte de
kasstroom aan. Met name de plotseling gestagneerde vraag
vanuit de telecomsector zou een belangrijk drukkend effect
op het operationeel resultaat hebben gehad. De neergang
van de financiele positie vormde voor de huisbankiers de
aanleiding om de kredietfadliteit te bevriezen, waarmee
de gehele groep plotseling niet meer over liquide middelen
kon beschikken en een acute noodsituatie ontstond."
Klik hier voor het hele artikel.