
De ondernemingskamer van het gerechtshof in Amsterdam (“OK”)
verklaarde op 10 november 2005 een verzoek tot het instellen van
een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken niet
ontvankelijk, dat was ingediend door de bestuurder en enig
aandeelhouder van een rechtspersoon die 42% van de aandelen hield
in de vennootschap welke voorwerp van het onderzoek zou moeten zijn
(JOR 2006, 5). De laatst bedoelde vennootschap wordt hierna als de
‘te onderzoeken vennootschap’ aangeduid.
1. Inleiding.
Omdat de verzoeker zelf geen aandeelhouder of certificaathouder van
de te onderzoeken vennootschap was, werd diens verzoek door de OK
niet in behandeling genomen. Deze uitspraak is aanleiding om een
enkel woord te besteden aan de vraag wanneer een aandeelhouder van
een vennootschap wel en wanneer niet zou kunnen worden ontvangen in
een enquêteverzoek betreffende een of meer concerngenoten van de
vennootschap in het kapitaal waarvan door de verzoeker direct of
indirect (als uiteindelijk economisch gemachtigde) wordt
deelgenomen. Wanneer – met andere woorden – is een indirecte
aandeelhouder of certificaathouder bevoegd om een
concernenquêteverzoek in te dienen? Is er terzake een (duidelijker)
wettelijke grondslag nodig of gewenst? In deze bijdrage wordt op de
beide laatst genoemde vragen ingegaan.
Klik hier voor het hele artikel