
Recht toe Recht aan, nr. 4 2008
Op 20 juni 2008 heeft de Hoge Raad in zijn arrest een strengere
maatstaf aangelegd voor bestuurdersaansprakelijkheid tegenover een
individuele aandeelhouder. Ook indien een individuele aandeelhouder
een bestuurder aansprakelijk stelt, dient er volgens de Hoge Raad
overeenkomstig artikel 2:9 BW sprake te zijn van “ernstige
verwijtbaarheid”. Tot aan dit arrest was de norm waaraan men de
aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een individuele
bestuurder toetste die van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).
De Hoge Raad lijkt met dit arrest een meer uniforme norm voor
aansprakelijkheid van bestuurders jegens aandeelhouders te
introduceren.
Inleiding
Het arrest van de Hoge Raad dat in deze bijdrage wordt besproken
gaat over de overlap tussen twee verschillende normen die een rol
spelen bij de aansprakelijkheid van bestuurders. Enerzijds de norm
van artikel 2:9 BW en anderzijds de norm van artikel 6:162 BW.
De norm van artikel 2:9 BW ziet op de interne verhouding tussen de
rechtspersoon en de bestuurder. Artikel 2:9 BW bepaalt dat elke
bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een
behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Er is sprake van
onbehoorlijk bestuur indien: ”een redelijk handelend bestuurder
onder dezelfde omstandigheden niet op die wijze zou hebben
gehandeld”. Hierbij is een toerekenbare, onmiskenbare
tekortkoming van de bestuurder vereist, waarbij de bestuurder een
ernstig (persoonlijk) verwijt kan worden gemaakt. De vraag of er
sprake is van onbehoorlijk bestuur dient te worden beoordeeld aan
de hand van alle omstandigheden van het geval.
Klik hier voor het hele artikel