
In de (internationale) contractenrechtpraktijk wordt in de
precontractuele fase veelvuldig gebruikgemaakt van voorbehouden om
te proberen contractuele gebondenheid te voorkomen en de handen
daarmee zolang mogelijk vrij te houden om de onderhandelingen nog
te kunnen afbreken. Dat het gebruik van voorbehouden in de praktijk
regelmatig aanleiding geeft tot geschillen, behoeft, gezien de
jurisprudentie op dit vlak, geen betoog.
Op 5 maart 2010 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in de zaak
Fair Play/Geveke. De uitspraak is afgedaan met art. 81 Wet op de
rechterlijke organisatie (Wet RO).
De casus die aan deze uitspraak ten grondslag ligt, is daarentegen
wel interessant en onderstreept maar weer eens het belang van een
juiste formulering en toepassing van voorbehouden.
1 De te beantwoorden rechtsvragen
In de kern gaat het in het geschil dat ten grondslag lag aan deze
zaak om twee wezenlijke verbintenisrechtelijke rechtsvragen, te
weten: is tussen betrokken partijen een overeenkomst tot stand
gekomen en wat is de juridische duiding van het door een van
partijen in de onderhandelingsfase gemaakte voorbehoud?
Klik hier voor het hele artikel