
De Belastingdienst heeft op allerlei gebieden ruimere bevoegdheden
dan civiele partijen. Zo heeft de Belastingdienst ook een
bijzondere verrekeningsmogelijkheid op grond van de Invorderingswet
(Iw), met uitzondering van de gewone verrekeningsregels uit het
Burgerlijk Wetboek. Sinds de invoering van de Invorderingswet
bestaat grote onduidelijkheid over de reikwijdte van de
verrekeningsmogelijkheden van de Belastingdienst.
Meer in het bijzonder was niet bekend in hoeverre de civiele
verrekeningsmogelijkheden door de Fiscus toegepast konden worden.
Op 14 juli 2006 heeft de Hoge Raad een einde aan deze
onduidelijkheid gemaakt. In het onderstaande artikel worden de
gevolgen van het arrest besproken.
Inleiding
In het civiele recht kan een schuldenaar die zijnerzijds op zijn
schuldeiser een vordering heeft, verklaren zijn schuld met de
vordering te willen verrekenen. Het gevolg van de verrekening is
dat beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijke beloop teniet
gaan. Er is door de wetgever voor de ontvanger een
uitzonderingspositie inzake de verrekeningsbevoegdheid gecreƫerd,
omdat er anders voor de ontvanger in een groot aantal situaties
sprake zou zijn van ernstige benadeling. Zo wordt hij bijvoorbeeld
benadeeld wanneer hij aan de belastingplichtige een bedrag moet
uitbetalen, terwijl er reeds een aanslag is opgelegd met een te
betalen bedrag waarvan de betalingstermijn nog niet is verstreken.
Ook heeft de (vaak lange) periode van formalisering van een reeds
bestaande materiƫle belastingschuld voor de verrekeningsbevoegdheid
voor de ontvanger nadelige gevolgen.
Klik hier voor het hele artikel.