
Publicatiedatum: 30-07-2008 (www.ibr.nl : Actualiteiten
Bouwrecht)
Het tijdsverloop speelt een belangrijke rol in de hierna te
behandelen uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw.
Opdrachtgeefster stelt dat Aanneemsters vordering tot betaling van
de aanneemsom is verjaard. Met een beroep op niet-ontvankelijkheid
betwist Aanneemster op haar beurt de door Opdrachtgeefster
gevorderde schade. Aan bod komen de bewijslastverdeling, ‘afstand
van recht’ en de vernietigbaarheid van art. 10 lid 2 AVA ’92
(ontvankelijkheid).
Aanneemster heeft het kantoorpand, een advocatenkantoor, van
Opdrachtgeefster verbouwd en aangebouwd. Op de in 1998 gesloten
overeenkomst van aanneming van werk zijn van toepassing de Algemene
Voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf 1992 (hierna: AVA
’92). In juni 2007 entameert Aanneemster een arbitrale procedure,
waarbij zij betaling
vordert van de factuur d.d. 7 juli 1999. Opdrachtgeefster heeft de
aanneemsom deels onbetaald gelaten vanwege een niet volledig
correcte uitvoering van de werkzaamheden. In reconventie vordert
Opdrachtgeefster vergoeding van de door haar geleden schade.
Conventioneel beroep op verjaring
Pas op 26
januari 2006 heeft Aanneemster Opdrachtgeefster aangemaand om tot
betaling over te gaan van de op 7 juli 1999 verzonden factuur. De
onbetwiste verjaringstermijn bedraagt vijf jaar.
Klik hier voor het hele artikel.