
ZORG & FINANCIERING > 1-2007
De aansprakelijkheid van de bestuurder in de zorgsector staat de
laatste jaren meer dan voorheen in de aandacht. Daarvan getuigt ook
de recente uitspraak van het Scheidsgerecht gezondheidszorg (SG),
dat oordeelde dat de bestuurder niet aansprakelijk gesteld kon
worden voor de schade die een zorginstelling geleden zou hebben.
Als men kijkt naar de rechtsoverwegingen die het Scheidsgerecht
gebruikt, lijkt het erop dat meer en meer aansluiting gevonden
wordt bij de aansprakelijkheid van bestuurders op grond van de
corporate-governancecode.
Dit is een logisch gevolg van de breed gedragen algemene
opvattingen die begin dit jaar in de zorgbrede governancecode zijn
verwoord. Door de toenemende professionalisering
worden de grenzen van verantwoord ondernemen binnen de zorg steeds
duidelijker.
Aansprakelijkheid op basis van artikel 2:9 BW
Er zijn twee vormen van aansprakelijkheid op basis waarvan een
bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld: externe en interne
aansprakelijkheid. Bij externe aansprakelijkheid wordt de
bestuurder van bijvoorbeeld een zorginstelling aansprakelijk
gesteld door een derde. Een voorbeeld van externe aansprakelijkheid
is aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Op deze vorm van
aansprakelijkheid ga ik hier niet in. Wel wil ik het hebben over de
zogeheten interne aansprakelijkheid die geregeld is in artikel 2:9
BW. Dit artikel bepaalt dat elke bestuurder tegenover de
rechtspersoon (in dit geval de zorginstelling) gehouden is tot
behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Bij toetsing aan
deze 'behoorlijkheidsnorm' wordt gekeken naar hoe een redelijk
bekwaam en redelijk handelend bestuurder had dienen te handelen.
Bij de beoordeling is niet doorslaggevend of het beoogde resultaat
wordt behaald. Belangrijker is of de bestuurder zich naar behoren
ingespannen heeft om de hem opgedragen taak te vervullen.
Klik hier voor het hele artikel.