Intellectuele Eigendom
Goed nieuws voor houders van bekende
merken
Het EG Hof van Justitie heeft
een baanbrekende uitspraak gedaan in haar arrest van 18 juni 2009
tussen L'Oréal en een aantal partijen die gelijkende parfums op
de markt brachten (het "Bellure-arrest"). Eindelijk heeft het
Hof zich namelijk in duidelijke bewoordingen uitgelaten over hoe
de term "ongerechtvaardigd voordeel trekken uit" in het Europese
merkenrecht en daarmee ook in het Benelux merkenrecht moet worden
geïnterpreteerd.
Tot nu toe was het voor houders van bekende
merken niet gemakkelijk om een inbreuk op hun merkenrecht aan
te tonen. De laatste jaren zijn er veel ingewikkelde, vage, tegenstrijdige
en voor de praktijk nauwelijks toepasbare arresten gewezen. Met
de komst van dit arrest is de bewijslast voor de houder van een
bekend merk echter een stuk concreter geworden en enorm verlicht.
In de wet is neergelegd dat indien door een
derde zonder geldige reden i) ongerechtvaardigd voordeel wordt
getrokken uit of ii) afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend
vermogen of de reputatie van het bekende merk, de houder van dat
bekende merk de mogelijkheid heeft om hier tegen op te treden.
Het Hof overweegt in haar arrest dat voor
de vraag of ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit het
onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk noch van
belang is dat er sprake is van verwarringsgevaar noch dat er sprake
is van schade die aan de houder van het bekende merk wordt berokkend.
Ook het vereiste van het bewijs van een ‘wijziging in het
economische gedrag van de consument’ wordt niet gesteld.
Het enige dat de merkhouder volgens het Hof
namelijk nog hoeft te bewijzen om aan te tonen dat een derde ongerechtvaardigd
voordeel trekt uit het onderscheidend vermogen of de reputatie
van het merk, ook wel aangeduid als “meeliften” of
“freeriding”, is dat een derde (andere partij):
“door dit
gebruik in het kielzog van het bekende merk probeert te varen
om te profiteren van de aantrekkingskracht, de reputatie en het
prestige van dat merk, en om zonder financiële vergoeding
profijt te halen uit de commerciële inspanning die de houder
van het merk heeft geleverd om het imago van dit merk te creëren
en te onderhouden.”
Met andere woorden, om aan te tonen dat ongerechtvaardigd
voordeel is getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie
van het bekende merk hoeft gevaar voor verwarring niet meer aangetoond
te worden, evenmin als schade of een economische verandering in
het gedrag van de consument. Alleen het aantonen van het feit
dat een derde probeert mee te varen in het kielzog van het bekende
merk is voldoende. Ingewikkelde bewijsverplichtingen lijken hiermee
verdwenen te zijn waardoor de houder van een bekend merk haar
merkenrecht een stuk gemakkelijker kan handhaven.
De houder van een bekend merk moet aldus slechts
de opzet van de namaker om aan te haken bewijzen om het ongerechtvaardigd
voordeel trekken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie
van haar bekende merk aan te tonen. Dit is nieuw maar mogelijk
een stuk gemakkelijker dan het bewijzen van verwarring, schade
of een economische verandering in het gedrag van de consument,
zoals dat voorheen vaak nodig was om merkinbreuk aan te tonen.
Zo proberen tegenwoordig bijvoorbeeld alle huismerken aan te haken
bij bekende A-merken. Dit aanhaken zal gemakkelijk zijn aan te
tonen. Het enige wat de merkhouder dan verder nog moet bewijzen
is dat de consument ook daadwerkelijk een verband legt tussen
het bekende merk en de ‘aanhaker’.
Het Bellure-arrest lijkt hiermee een baanbrekende
uitspraak te zijn die een nieuw en helder handvat biedt voor houders
van bekende merken om doeltreffend op te treden tegen imitatieproducten
en ander gebruik van haar merk door derden (andere partijen).
Namakers en aanhakers van bekende merken dus
opgepast!
Recht toe Recht aan, nr.
4 2009
Mr W.J. Wijntjes, Van Benthem & Keulen N.V.
e-mail: awijntjes@vbk.nl
tel. : 030-2595578