Gezondheidsrecht
Een apotheker in het nauw maakt…
Het rommelt al enige tijd in "apothekenland". Als gevolg van het streven naar meer marktwerking in de zorg hebben apotheken het moeilijk. Het preferentiebeleid van een aantal zorgverzekeraars heeft duidelijk zijn weerslag op de inkomsten van de apothekers, die begonnen zijn aan een tegen campagne. Maar, wat houdt het preferentiebeleid eigenlijk in? Hebben de apothekers wel een punt? En, is er werkelijk sprake van meer markwerking?
Het preferentiebeleid van zorgverzekeraars
is bedoeld om de kosten van geneesmiddelen in de hand te houden.
Het betreft hierbij alleen generieke geneesmiddelen. Dat zijn
middelen waarop geen octrooibescherming meer rust. Nieuwe innovatieve
geneesmiddelen vallen hier derhalve buiten. Kern van dit beleid
is dat van een aantal geneesmiddelen alleen nog de goedkoopste
variant wordt vergoed door de verzekeraars. Levert een apotheker
een geneesmiddel van een (duurdere) fabrikant, dan wordt het middel
in principe niet vergoed. Een fabrikant kan zijn product preferent
laten worden door het zo goedkoop mogelijk aan te bieden tijdens
een aanbesteding. Wanneer de zorgverzekeraar het middel vervolgens
uitkiest, is de fabrikant op basis van een contract met de verzekeraar
zeker van een bepaald marktaandeel voor een vastgestelde periode.
Door het preferentiebeleid zijn de prijzen
van enkele geneesmiddelen flink gedaald; sommige zelfs met meer
dan 80%. Om zo'n prijsdaling mogelijk te maken moet de fabrikant
natuurlijk ergens kosten besparen. In dit geval lijkt vooral de
apotheker in de kas geraakt te worden, doordat die geen aanspraak
meer kan maken op de gebruikelijke bonussen en kortingen van fabrikanten.
De KNMP, de Nederlandse koepelorganisatie van de apothekers, schat
dat 40% van de apotheken in financiële problemen komt door het
preferentiebeleid.
De apothekers hebben allerlei acties ondernomen
om zich te verzetten tegen het huidige preferentiebeleid. Zo hebben
een kleine 2000 apotheken al eens voor een aantal uren de deuren
van hun apotheek gesloten. Ook diende op 24 juni 2008 een kortgeding
bij de rechtbank in Utrecht, waarin een aantal apothekers en groothandelaren
een groep van zorgverzekeraars onrechtmatig gedrag verweten, ten
aanzien van de manier waarop het preferentiebeleid wordt vormgegeven.
De vordering werd echter afgewezen.
Men had meer succes op 11 juli jongstleden.
Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven schorste namelijk
op verzoek van de KNMP de “clawback-korting” van bijna 7%, die
door de overheid in mindering wordt gebracht op de vergoeding
van receptgeneesmiddelen aan apothekers. De “clawback-korting”
was in het leven geroepen naar aanleiding de kortingen die apothekers
konden bedingen. Nu het preferentiebeleid deze kortingen in het
geval van generieke geneesmiddelen heeft doen verdampen, is besloten
de “clawback-korting” te schorsen. Als mocht blijken dat een (al
dan niet aangepaste) korting wel gerechtvaardigd is, dan kan deze
echter alsnog als naheffing voor rekening van de apothekers komen.
Op dit moment zou er sprake zijn van een nieuwgekozen
"strijdmethode" van de apothekers. Het gerucht gaat dat zij, door
niet preferente middelen te leveren aan patiënten, de preferente
fabrikant poogt te ondermijnen. Weliswaar zullen de apothekers
geen vergoeding krijgen voor de geleverde middelen, maar ook de
preferente fabrikant bereikt hierdoor niet de afzet die van tevoren
was ingecalculeerd. Men beoogt hiermee de fabrikant te dwingen
niet al te laag in te zetten bij aanbestedingen. Mocht deze strategie
daadwerkelijk worden geïmplementeerd, dan zal de uitkomst afhankelijk
zijn van de vraag wie de langste adem heeft, de apothekers of
de fabrikanten.
Of de apothekers ook daadwerkelijk een punt
hebben, is moeilijk volledig in te schatten omdat de zaak alles
behalve transparant is. Enerzijds bestaat er twijfel over de winstmarge
van de apotheker op standaard geneesmiddelen. Wellicht zouden
de bonussen en kortingen aan de hoge kant zijn in verhouding tot
de daarvoor te leveren diensten. Anderzijds, kunnen apothekers
niet alleen maar gezien worden als veredelde dozenschuivers. De
apotheker heeft een belangrijke adviesfunctie en draagt er zorg
voor dat de patiënt ook de juiste medicatie op de juiste wijze
gebruikt. Vast staat dat verhoudingen aan het veranderen zijn
door het streven naar meer marktwerking in de zorg. Zoiets gaat
nooit zonder slag of stoot. Zeker niet wanneer er sprake is van
substantiële veranderingen in financiële verhoudingen.
Vanuit macro perspectief is er nog een vraag
die ons bezig mag houden. Is er eigenlijk wel sprake van meer
markwerking in de zorg door het preferentiebeleid van de zorgverzekeraars?
Of zijn alleen de verhoudingen verschoven van apotheker naar zorgverzekeraar?
Immers, voorheen streden de fabrikanten om de gunst van de apotheker.
Nu strijdt men om de gunst van de zorgverzekeraar. Feitelijk betekent
dit dat er, in het geval van preferente middelen, geen echte markt
meer bestaat waarop een type geneesmiddel verhandeld wordt door
een aantal fabrikanten. In plaats daarvan beconcurreren fabrikanten
elkaar ter verkrijging van een soort exclusiviteit op een markt.
Met andere woorden, er wordt een markt voor een markt gecreëerd.
Zonder diep in te gaan op de theoretische
aspecten hieromtrent, is het niet slecht zich te realiseren dat
deze constructies niet per definitie tot maatschappelijke kostenbesparingen
leiden. Een klassiek voorbeeld is de privatisering van het Britse
spoorwegnet dat middels soortgelijke constructies vergund werd.
De gevolgen op de langere termijn waren hogere prijzen voor de
reiziger en een dramatische kwaliteit van het vervoer. Hoewel
hieruit op generlei wijze het gelijk van de apothekers mag blijken,
dient dit wel als kritische noot ten aanzien van marktwerking
in de zorg. Marktwerking zal zeker leiden tot meer efficiency,
maar de vinger dient aan de pols te worden gehouden ter voorkoming
van een suboptimale zorgvoorziening.
Recht toe Recht aan, nr. 4 2008
Mr J.B.L.M. Hulshof, Van Benthem & Keulen
e-mail: jhulshof@vbk.nl
tel. : 030-25 95 578