Ondernemingsvormen

De 'onmiskenbare vergissing' is geen vergissing

Wie aan een curator betaalt, krijgt in beginsel het betaalde niet meer terug. Ook niet wanneer later blijkt dat de betaling onverschuldigd was. Op dit beginsel is een uitzondering gemaakt voor betalingen die het gevolg zijn van een onmiskenbare vergissing. De leer van de 'onmiskenbare vergissing' is onderwerp geweest van een recent arrest van de Hoge Raad. De curator die in cassatie was gegaan, vraagt de Hoge Raad op deze leer terug te komen. Volgens hem berust het leerstuk op een vergissing. De Hoge Raad oordeelt anders.

Inleiding
Crediteuren in een faillissement worden overeenkomstig hun rang voldaan aan het einde van het faillissement. De volgorde is kort gezegd als volgt: de kosten van het faillissement (de boedelschulden) worden als eerst voldaan (het salaris van de curator, loon- en huurverplichtingen van na de faillietverklaring), vervolgens worden de preferente crediteuren voldaan (in de regel de fiscus en het UWV) en ten slotte de concurrente crediteuren. Driekwart van de faillissementen wordt echter opgeheven bij gebrek aan baten(1). Dit betekent dat de preferente en concurrente crediteuren niets ontvangen en dat enkel de boedelschulden worden voldaan. In de meeste gevallen zullen zelfs de boedelschulden niet volledig kunnen worden voldaan. In dat geval ontstaat ook bij de verdeling van de boedelcrediteuren een rangorde: het salaris van de curator, (andere) preferente boedelcrediteuren en ten slotte de concurrente boedelcrediteuren.

Dit artikel behandelt een speciale categorie van boedelschulden, namelijk de boedelschulden die zijn ontstaan door een onverschuldigde betaling. Dergelijke boedelschulden ontstaan wanneer er tijdens een faillissement aan de curator een betaling wordt gedaan, terwijl voor die betaling (achteraf) geen rechtsgrond aanwezig blijkt te zijn.

Introductie van de onmiskenbare vergissing
Tot 1998 was er geen jurisprudentie over welke rang de boedelschuld uit onverschuldigde betaling inneemt bij de afwikkeling. Moet een onverschuldigde betaling direct worden terugbetaald, of moet hieruit eerst het salaris van de curator worden voldaan? Maakt het daarbij nog uit of de onverschuldigde betaling is ontstaan door een vergissing, of doordat bijvoorbeeld een koopovereenkomst ontbonden werd terwijl de koopsom al betaald is? Veel curatoren lieten de omstandigheden van het geval meewegen bij de vraag of ze wel of niet tot een terugbetaling zouden overgaan.

In deze praktijk kwam verandering na het arrest van de Hoge Raad d.d. 5 september 1997 (Hamm q.q. / Ontvanger)(2). Er deed zich in deze casus een situatie voor waarbij veel curatoren tot onmiddellijke terugbetaling zouden zijn overgegaan. De belastingdienst had per ongeluk een teruggave gedaan op de faillissementsrekening van mr Hamm, die optrad als curator. Mr Hamm was curator van Wolfsom Informatica B.V., terwijl de belastingteruggave bestemd was voor De Wolfsom Groep B.V. De belastingdienst verzocht de curator om tot onmiddellijke terugbetaling over te gaan. De curator weigerde dit en bracht daarvoor enkele juridisch steekhoudende argumenten naar voren.

De argumentatie die de curator volgde was als volgt. De betaling die de belastingdienst had gedaan was een betaling zonder rechtsgrond en inderdaad onverschuldigd. Nu de betaling na faillissement door de curator werd ontvangen, ontstond er een boedelschuld in het faillissement(3). In een eerder arrest van de Hoge Raad(4) was al uitgemaakt dat ook voor de uitdeling van boedelschulden een rangorde bestaat. De vordering op grond van onverschuldigde betaling van de belastingdienst was een concurrente boedelschuld. De boedelverplichting ter zake het salaris van de curator zou eerst worden betaald. Slechts indien er na betaling van deze boedelschuld nog iets resteerde, zou de Ontvanger hetgeen zij onverschuldigd betaald heeft terug kunnen ontvangen.

Hoewel het standpunt van de curator juridisch volledig juist is, is het bij een eerste beschouwing misschien onredelijk te noemen. Om deze reden geeft de Hoge Raad de curator geen gelijk en maakt een uitzondering op het geldende stelsel. De Hoge Raad maakt een onderscheid tussen enerzijds betalingen op basis van een rechtsgrond die later is komen te vervallen. Bijvoorbeeld de betaling op basis van een overeenkomst die later ontbonden wordt. En anderzijds betalingen die zijn verricht zonder dat er tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan en waarin de betaling slechts het gevolg is van een onmiskenbare vergissing. De eerste groep betalingen moet afgewikkeld worden langs de door de curator bepleitte route. De tweede groep moet direct door de curator, dus zonder de afwikkeling van het faillissement af te wachten, worden terugbetaald. Als voorbeeld van een onmiskenbare vergissing noemt de Hoge Raad in het arrest de situatie waarin een vergissing wordt gemaakt ten aanzien van de persoon van de ontvanger van de betaling.

Ontwikkelingen in de jurisprudentie
De uitzondering die de Hoge Raad in het arrest van Hamm q.q. / Ontvanger heeft gemaakt heeft voor een grote hoeveelheid jurisprudentie gezorgd. Enkele voorbeelden zijn: De koopsom ter zake van de curator overgenomen activa wordt dubbel betaald. Er was geen sprake van een onmiskenbare vergissing(5). Er is geen onmiskenbare vergissing wanneer er een langdurige zakelijke relatie tussen eiser en de failliet bestond(6). Een administratieve boeking op een bankrekening moet gezien worden als een met een onmiskenbare vergissing gelijk te stellen betaling(7). Een foutieve opgave bij de royement van een hypotheek is onmiskenbaar een vergissing(8). Opnieuw een dubbele betaling, maar geen onmiskenbare vergissing(9). Een betaling op een verkeerde rekening. Dit was wel een onmiskenbare vergissing, bovendien moest de curator het nodige onderzoek doen(10).

De Hoge Raad heeft zich eerst op 7 juni 2002 weer over de onmiskenbare vergissing uitgelaten in het Komdeur q.q. / Nationale Nederlanden-arrest(11). In deze situatie was de curator een procedure begonnen tegen A. In eerste instantie werd A tot betaling aan de curator veroordeeld. A heeft zich daartegen verzet, maar heeft uiteindelijk onder protest van gehoudenheid betaald op de faillissementsrekening. In hoger beroep krijgt A alsnog gelijk. Op het moment dat A restitutie vraagt van het reeds betaalde bedrag weigert de curator dit met de argumenten die de curator in Ham q.q. / Ontvanger heeft gebruikt. Een tweede procedure volgt, ditmaal over de vraag of de curator tot terugbetaling moet overgaan. In dit geval krijgt de curator gelijk. Het door A betaalde bedrag hoeft de curator niet terug te betalen. Er was namelijk sprake van een bestaande rechtsgrond, die achteraf is komen te vervallen. In dergelijke gevallen bestaat geen verplichting tot een onmiddellijke terugbetaling.

Beperking van de onmiskenbare vergissing
Met name het laatst besproken arrest was voor veel curatoren aanleiding om de uitzondering die gemaakt was in het Hamm q.q. / Ontvanger-arrest zeer beperkt uit te leggen. Ik roep in herinnering dat de reden voor de Hoge Raad om een uitzondering te maken, de redelijkheid en billijkheid was. Het is immers onredelijk dat de curator een bedrag dat niet voor hem bestemd is, ten gunste van de overige boedelcrediteuren mag aanwenden. Waarom is de situatie in Hamm q.q. / Ontvanger nu wél onredelijk en de situatie in Komdeur q.q. / Nationale Nederlanden niet? Of misschien moet zelfs eerst de vraag worden gesteld waarom er voor een vordering uit hoofde van een onverschuldigde betaling een uitzondering moet worden gemaakt. Iemand die immers een dag voor de faillietverklaring onverschuldigd heeft betaald is een gewone concurrente faillissementscrediteur en heeft in het geheel geen uitzicht op een terugbetaling.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor degene die enkele dagen na de faillietverklaring, onwetend van het uitgesproken faillissement, een voorschotnota betaalt. Ook die persoon wordt een gewone concurrente crediteur en heeft in driekwart van de faillissementen geen enkel uitzicht op een betaling op zijn schuld. Het argument van de redelijkheid en billijkheid is dus niet zo eenvoudig toe te passen. Zelf heb ik mij steeds beperkt tot het in Hamm q.q. / Ontvanger gegeven voorbeeld, waarbij een vergissing wordt gemaakt in de persoon aan wie betaald wordt. Mijn criterium was dat wanneer de betaler wist van het faillissement, hij twee keer zou moeten nadenken alvorens te betalen. Slechts wanneer de betaler niet wist van het faillissement is terugbetaling redelijk, anders is de betaling eerder het gevolg van onoplettendheid aan de zijde van de betaler.

Naast de vraag wanneer er nu wel/niet sprake is van een onmiskenbare vergissing, hebben de arresten van de Hoge Raad ook veel andere vragen opgeworpen. Wat bijvoorbeeld als er wel een rechtsverhouding bestond, maar er nooit een rechtsgrond heeft bestaan voor een specifieke betaling? Hoe onmiskenbaar moet een onmiskenbare vergissing zijn? Moet voor de curator direct duidelijk zijn dat er van een vergissing sprake is, of kan van hem verwacht worden dat hij onderzoek naar de ontvangen betaling doet?

Uitbreiding van de onmiskenbare vergissing
In het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 juni 2007(12) heeft de Hoge Raad de uitzondering van de onmiskenbare vergissing aanzienlijk uitgebreid. De curator in dit arrest had in de eerste plaats, onder verwijzing naar de zeer uiteenlopende jurisprudentie, betoogd dat de uitzondering 'ronduit onduidelijk is'. De curator vraagt de Hoge Raad om terug te komen op de vergissing die hij maakte in het arrest Hamm q.q. / Ontvanger. Hierin gaat de Hoge Raad niet mee. De Hoge Raad geeft vervolgens in het arrest wel een verduidelijking en mijns inzien een uitbreiding van de uitzondering.

De casus was als volgt. Er bestond tussen de failliet en BLG Hypotheken een rechtsverhouding. Dit was een rechtsverhouding waarbij er zeer veel betalingen aan de failliet werden gedaan. BLG Hypotheken is in het betalen doorgeschoten. Zij had aanvankelijk zelf niet door dat zij teveel betaald had. Pas nadat de rekening-courrantverhouding volledig was afgeletterd, bleek dat er enkele betalingen door BLG Hypotheken dubbel waren gedaan. Het faillissement werd uitgesproken op 17 juli 2001. In de periode van 19 juli 2001 tot 22 juli 2002 heeft BLG een 20-tal betalingen op de rekening betaald onder vermelding van "saldo rekening-courrant". Om vast te stellen of en welke betalingen onverschuldigde waren, moest de curator het nodige onderzoek verrichten. De curator stelde dan ook dat van een onmiskenbare vergissing geen sprake was.

De Hoge Raad verduidelijkt de leer uit Hamm q.q. / Ontvanger als volgt: "Alleen in het geval waarin tussen de gefailleerde en degene die aan hem betaalde geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan die tot de betaling aanleiding gaf, en waarin de betaling slechts het gevolg is van een onmiskenbare vergissing, dient de curator, wanneer hij wordt geconfronteerd met een zodanige vergissing, in overeenstemming met hetgeen in het maatschappelijk verkeer als betamelijk wordt beschouwd, mee te werken aan het ongedaan maken van die vergissing. Nader gepreciseerd, bestaat deze verplichting van de curator slechts wanneer geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan die de betaler, de gefailleerde of de curator aanleiding kon geven te veronderstellen dat er (mogelijk) wél een rechtsgrond aanwezig was voor de betaling in kwestie. Dan valt immers voor geen van de betrokkenen te miskennen dat de betaling bij vergissing is verricht, omdat duidelijk is dat zij bij gebreke van enige rechtsverhouding noch voor de gefailleerde noch voor de curator bestemd was, dan wel evident is dat de rechtsverhouding die tussen de betaler en de gefailleerde wél bestaat of heeft bestaan voor de betaling in kwestie geen rechtsgrond kon opleveren."

Bestaat er geen rechtsverhouding, dan is een onverschuldigde betaling dus altijd onmiskenbaar een vergissing van de betaler en dient de curator tot onmiddellijke terugbetaling over te gaan. Is er wél een rechtsverhouding (geweest), dan is er pas sprake van een onmiskenbare vergissing als evident is dat die rechtsverhouding (uit het verleden) geen rechtsgrond kon opleveren voor de betaling. Als voorbeelden van evidente vergissingen geeft de Hoge Raad de situatie waarin de betaling slechts betrekking kan hebben op een door een eerdere betaling tenietgegane schuld, of de situatie waarin het betaalde bedrag zodanig afwijkt van de schuld waarop de betaling betrekking heeft dat daaruit zonder enige twijfel kan worden afgeleid dat de betaling op een verschrijving of andere vergissing berust.

De Hoge Raad helpt de praktijk mijns inziens met deze uitspraak van de regen in de drup. Waar eerst geoordeeld moest worden of er sprake was van een onmiskenbare vergissing, moet nu geoordeeld worden of het evident is dat een eventueel bestaande rechtsverhouding wel of niet een rechtsvordering kon opleveren voor een bepaalde betaling. Blijft de vraag wat wel en wat niet evident is. In ieder geval wordt de onmiskenbare vergissing uitgebreid met twee voorbeelden.

Ik had al aangegeven dat de rechtsverhouding tussen de failliet en BLG Hypotheken betrekking had op een groot aantal betalingen. Wie denkt dat het daarom wel of niet evident zou zijn dat een betaling haar grond vindt in een bepaalde rechtsverhouding, heeft het mis. De Hoge Raad oordeelt namelijk in hetzelfde arrest nog dat het niet uitmaakt of het voor de curator wel of niet onmiddellijk na de ontvangst van de betaling duidelijk is dat zij onverschuldigd is. Het gaat erom dat de betaling "als zodanig door de curator - handelend zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht en behoorlijk is geïnformeerd - zonder enige twijfel op grond van door de betalende partij verstrekte gegevens dan wel, als daartoe nog aanleiding bestaat, na eigen onderzoek zijn te herkennen, ook al zal met een en ander enige tijd gemoeid kunnen zijn". Zelfs als er een uitvoerig onderzoek nodig is om de evidentie van de vergissing vast te stellen, kan er van een onmiskenbare vergissing sprake zijn. De kosten die overigens gemoeid gaan met een onderzoek door de curator, mag hij bij de betaler in rekening brengen(13).

Conclusie
De kansen om betalingen terug te vorderen die per ongeluk, of in ieder geval onverschuldigd, gedurende een faillissement, aan de curator, zijn verricht, zijn aanzienlijk toegenomen. Wordt er dubbel betaald, wordt er op basis van een verschrijving teveel betaald, of wordt er een vergissing gemaakt in de persoon aan wie moet worden betaald, dan moet de curator in ieder geval tot een onmiddellijke terugbetaling overgaan. Buiten deze voorbeelden is de door de Hoge Raad gegeven duidelijkheid beperkt. De omstandigheden van het geval zullen de uitkomst blijven bepalen. Indien de curator veel onderzoek moet doen om vast te stellen dat de betaling onverschuldigd was, dan moet de betaler er rekening mee houden dat hij de kosten van het onderzoek van de curator moet vergoeden.

(1)bron: Central Bureau voor de Statistiek, Faillissementen: Oorzaak en schulden in 2004, 25 oktober 2005.
(2)NJ 1998, 437.
(3)artikel 24 Fw.
(4)HR 28 september 1990, NJ 1991, 305.
(5)Rechtbank Utrecht, 25 februari 2004, JOR 2004, 147 – Warringa q.q. / Van der Lubbe.
(6)Hof Den Bosch 23 september 2003, JOR 2003, 238 – Klessens Ringel & De Koning / Eikendal q.q.
(7)Rechtbank Zwolle 6 augustus 2003, JOR 2003, 270 – Keyser q.q. / Fortis Bank.
(8)Hof Arnhem 26 november 2002, JOR 2003, 46 – Beks q.q. / SNS Bank.
(9)Rechtbank Alkmaar 15 februari 2001, JOR 2001, 102a – Reacon Afvalstransporten / Breederveld q.q.
(10) Rechtbank Arnhem 9 maart 2000, JOR 2000, 245 – Ontvanger / Houwen q.q.
(11) HR 7 juni 2002, NJ 2002, 608.
(12) Van der Werf q.q. / BLG Hypotheekbank
(13) op grond van art. 6:207 BW.

Recht toe Recht aan, nr. 4 2007
Mr P.J. Neijt, Van Benthem & Keulen
e-mail: pneijt@vbk.nl
tel. : 030-2595546

Wanneer u een artikel of passage wilt overnemen, verzoeken wij u de bron te vermelden en ons een exemplaar van uw publicatie te zenden.

Van Benthem & Keulen,
Euclideslaan 51,
Postbus 85005, 3508 AA Utrecht,
Telefoon (030) 2 595 959,
Fax (030) 2 595 500