Aansprakelijkheidsrecht
Ophelderingsplicht van de vervoerder
bij diefstal
Tijdens het vervoer van goederen kan veel
mis gaan. Vooral diefstal is een groot probleem, temeer nu het
veelal diefstal van waardevolle zendingen betreft en de aansprakelijkheid
daarvoor door het verdrag betreffende de overeenkomst tot Internationaal
Vervoer van goederen over de Weg (CMR) is beperkt tot een bedrag
van circa € 11,80 per kg ontbrekend gewicht.
Beperking aansprakelijkheid vervoerder
Ingevolge het CMR-verdrag rust op de vervoerder een resultaatsverbintenis:
hij dient de goederen zonder vertraging af te leveren in de staat
waarin hij de goederen in ontvangst heeft genomen. De vervoerder
is aansprakelijk voor verlies of beschadiging van de goederen
en voor vertraging in de aflevering gedurende de periode van inontvangstneming
tot en met aflevering. De vervoerder is bevrijd van aansprakelijkheid
indien een beroep op overmacht slaagt; maar dat beroep slaagt
hoogst zelden. Daar staat voor de vervoerder tegenover dat zijn
aansprakelijkheid ingevolge het CMR is beperkt. Daar zit nu juist
het probleem. De aansprakelijkheid van de vervoerder reikt niet
verder dan SDR 8,33 per kg, hetgeen overeenkomt met ongeveer €
11,80 per kg, waarbij deze maximale vergoeding geheel onafhankelijk
is van de soort lading. Voor (de verzekeraar van) de ladingbelanghebbende
is dit juist bij diefstal van waardevolle zendingen veelal slechts
een fractie van de geleden schade.
Doorbraak gelimiteerde aansprakelijkheid
Onder omstandigheden is doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperkingen
onder het CMR-verdrag mogelijk. De aansprakelijkheidsbeperking
wordt krachtens artikel 29 CMR doorbroken in geval van opzet of
daarmee gelijk te stellen schuld van de vervoerder. Van zo'n situatie
kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van diefstal door een chauffeur.
Een vervoerder zal daar veelal niet bij betrokken zijn. Omdat
het niet redelijk zou zijn dat de ladingbelanghebbende in zo'n
geval geen beroep op opzet of met opzet gelijk te stellen schuld
van de vervoerder zou kunnen doen, is de vervoerder tevens aansprakelijk
voor handelingen waarin sprake is van opzet of daarmee gelijk
te stellen schuld indien deze zijn uitgevoerd door ondergeschikten
of andere hulppersonen. Hiertegen kan een vervoerder dan wel het
verweer voeren dat het gaat om het handelen van een hulppersoon
die niet op enigerlei wijze betrokken was bij het vervoer en/of
daarmee samenhangende werkzaamheden en deze gedraging daarom niet
aan hem is toe te rekenen.
Informatieverstrekking na de
'5 januari-arresten'
Bij ladingdiefstal is dus artikel 29 CMR van belang. Dit artikel
bepaalt dat in geval van opzet of daarmeegelijk te stellen schuld
de vervoerder volledig aansprakelijk is. Het hoogste rechtscollege,
de Hoge Raad, heeft in de zogenaamde '5 januari-arresten' een
interpretatie gegeven van de in artikel 29, lid 1 CMR vervatte
zinsnede "roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk
uit zou voortvloeien". Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake
wanneer degene, die zich aldus gedraagt, het aan de gedraging
verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans, dat
het gevaar zich zal verwezenlijken, aanzienlijk groter is dan
de kans dat dit niet zal gebeuren.
In een van de 5 januari-arresten deed
ladingbelanghebbende Philip Morris een beroep op artikel 29, lid
1 CMR om zo een doorbraak van de gelimiteerde aansprakelijkheid
van de vervoerder te bewerkstelligen. Van der Graaf B.V. had als
vervoerder in opdracht van Philip Morris Holland B.V. een partij
sigaretten bestemd voor Italië vervoerd. De chauffeurs hebben
daarbij, naast algemene veiligheidsinstructies, de specifieke
instructie gekregen om de vrachtwagens niet onbeheerd achter te
laten. Tijdens een stop in Italië hebben de chauffeurs van Van
der Graaf de twee vrachtwagens waarin zij reden op een parkeerplaats
onbeheerd achter gelaten. De chauffeurs hebben de vrachtwagens
op zodanige wijze achter andere geparkeerde vrachtwagens geparkeerd
dat daarmee, naar hun oordeel, niet kon worden weggereden. Bij
terugkomst bleken zowel de vrachtwagens als de kostbare lading
verdwenen. De vrachtwagens zijn later leeg aangetroffen.
Na een terugverwijzing door de Hoge
Raad naar het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat Hof dat niet
voldaan was aan de omstandigheden die een beroep op doorbraak
van een aansprakelijkheidslimiet rechtvaardigen. De schadevergoeding
werd dus conform de CMR-limiet vastgesteld. Het criterium van
de Hoge Raad komt erop neer dat de ladingbelanghebbende moet aantonen
dat de vervoerder wist dat de kans op schade groter was dan de
kans dat dit niet het geval zou zijn. Daarnaast moet bewezen worden
dat de vervoerder geen maatregelen tegen deze mogelijkheid heeft
genomen. Uit de Philip Morris-zaak zou afgeleid kunnen worden
dat de Hoge Raad snel aanneemt dat de vervoerder maatregelen heeft
genomen. Nu zijn uiteraard de feiten en omstandigheden bepalend
voor het antwoord op de vraag of wel zo snel aangenomen kan en
moet worden dat de vervoerder maatregelen heeft genomen.
Ophelderingsplicht in recente
uitspraken
In de rechtspraak is een kentering te zien. Steeds vaker komt
op de vervoerder een zogenaamde ophelderingsplicht te rusten.
Om vast te stellen wat zich nu exact heeft voorgedaan en welke
beveiligingsmaatregelen de vervoerder heeft genomen om diefstal
te voorkomen krijgt de vervoerder in procedures steeds vaker de
plicht opgelegd om opheldering te verschaffen over wat er exact
is gebeurd en onder welke omstandigheden de diefstal zich heeft
voorgedaan en bovendien welke maatregelen hij heeft getroffen
om diefstal te voorkomen.
Recentelijk heeft de rechtbank Amsterdam
twee uitspraken gedaan (op 28 februari 2007 en 18 april 2007).
In de eerste zaak worden tijdens een vlucht van Antwerpen naar
Amsterdam 40 zogenaamde security bags vervoerd. Bij het openen
van de laadruimte van het vliegtuig staan medewerkers van de luchtvervoerder
en een security-man gereed; zij treffen slechts 39 security bags
aan. De vermiste bag bevatte (ruwe) diamanten ter waarde van een
kleine 1 miljoen euro.
In deze zaak ging het om de vraag of
sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid van het personeel
(of zijn hulppersonen) van de luchtvervoerder, waardoor de vervoerder
zich niet op de limiet zou mogen beroepen. De bewijslast van de
gestelde opzet of bewuste roekeloosheid rust daarbij op de ladingbelanghebbende.
Volgens de rechtbank kan - nu het om een waardezending ging met
de daarmee gepaard gaande extra zorgplicht van de vervoerder -
de vervoerder echter niet volstaan met de enkele stelling dat
het hem onduidelijk is hoe de vermissing heeft kunnen plaatsvinden.
Van de vervoerder kan worden gevergd dat hij voldoende feitelijke
gegevens verstrekt teneinde de claimant voldoende aanknopingspunten
te verschaffen om die eventuele opzet of bewuste roekeloosheid
van het personeel van de luchtvervoerder te bewijzen. Vervoerder
dient derhalve informatie te verschaffen over de feiten en omstandigheden
van het vervoer in het kader waarvan het verlies zich heeft voorgedaan.
Daarbij valt onder meer te denken aan gegevens over het transport,
de wijze waarop de goederen zijn behandeld, de ingeschakelde hulppersonen,
de in het concrete geval toegepaste bewaking, controle- en veiligheidsmaatregelen.
Op basis van de feiten die de (expert
van) de luchtvervoerder heeft verstrekt, komt de rechtbank tot
het oordeel dat de vervoerder genoegzaam inlichtingen heeft verschaft
over de wijze waarop waardezendingen in het algemeen, en deze
zending in het bijzonder, is vervoerd. De rechtbank concludeert
dat niet uitgesloten kan worden dat de zending door anderen is
ontvreemd en daarom niet met zekerheid kan worden vastgesteld
dat de zending opzettelijk door personeel van de luchtvervoerder
is weggenomen. Dat laatste moet immers bewezen worden om tot doorbreking
te komen. De lading belanghebbende heeft dat bewijs niet kunnen
leveren. De claimant moet genoegen nemen met de limiet van in
casu € 180,--.
Dan de tweede zaak. Bij het openen van
een in een soort nylon beveiligingsfolie verpakte container met
waardezendingen is een aantal mensen aanwezig, waaronder in ieder
geval vier waardetransporteurs en het personeel van de luchtvervoerder.
Als een deel van de mensen vertrekt, blijkt ook een pakket van
2 kg met een waarde van € 300.000,-- te ontbreken. Ook in deze
zaak moet de ladingbelanghebbende de opzet van het personeel van
de luchtvervoerder bewijzen. In haar vonnis van 18 april 2007
herhaalt de rechtbank letterlijk hetgeen zij gezegd heeft over
de informatieverplichting in haar eerdere vonnis van 28 februari
2007. Wederom oordeelt de rechtbank dat de luchtvervoerder heeft
voldaan aan zijn informatieverplichting. En ook hier zegt de rechtbank
dat de informatieverplichting ziet op het verstrekken van feitelijke
gegevens, maar dat die verplichting niet zover gaat dat de vervoerder
ook moet ophelderen hoe en wanneer de diefstal/vermissing concreet
heeft plaatsgevonden.
Informatieverstrekking in Engeland
Nu het CMR-verdrag de aansprakelijkheid van de internationaal
wegvervoerder tracht te uniformeren dient met betrekking tot de
reikwijdte van de informatieverplichting van de vervoerder ook
de rechtspraak in de ons omringende landen in de gaten te worden
gehouden. De House of Lords, het hogerhuis van het Verenigd Koninkrijk,
heeft op 17 mei 2007 een uitspraak gedaan in de UPS-zaak met betrekking
tot de diefstal in Amsterdam van drie pakketten met processors
met een totale waarde van bijna € 300.000,--. De Commercial Court
(de rechter in eerste aanleg) was tot het oordeel gekomen dat
Datec geen opzet door het personeel van UPS had kunnen bewijzen.
Daardoor kon UPS een beroep doen op de limiet van in casu € 670,--.
De Court of Appeal kwam in hoger beroep evenwel tot een andere
afweging: diefstal door één of meer UPS-medewerkers was de waarschijnlijke
oorzaak van het verlies, de claimant had diefstal door het personeel
van UPS bewezen.
De House of Lords heeft beide uitspraken
tegen het licht gehouden en komt tot het eindoordeel dat diefstal
door UPS-personeel hoogstwaarschijnlijk de oorzaak van de vermissing
van de drie pakketten is. Van ophelderingsplicht of informatieverplichting
aan de zijde van de wegvervoerder willen de rechters in Engeland
dus kennelijk niet weten. Dat is te verklaren in de wijze van
procederen in Engeland. Uitgangspunt in de Engelse procedure is
dat iedere partij die informatie verschaft waar hij om gevraagd
wordt, mits hij die informatie redelijkerwijze ook kan verschaffen.
Voordat partijen de zaak bij de rechter brengen vindt er een zogenaamde
discovery tussen partijen plaats. Zij moeten vooraf alle documenten,
verklaringen, rapporten e.d., waarnaar gevraagd wordt, op tafel
leggen. Op basis van die veelheid aan gegevens presenteren de
raadslieden vervolgens de feiten die in hun zienswijze van belang
zijn voor de beoordeling van de zaak.
Reikwijdte ophelderingsplicht
Indien de twee uitspraken van de Amsterdamse rechtbank afgezet
worden tegen het definitieve Engelse oordeel in de UPS-zaak, valt
in ieder geval één overeenkomst op: er moet steeds meer informatie
verstrekt worden door de vervoerder. Die verplichting gaat in
Nederland weliswaar niet zover dat de vervoerder ook moet ophelderen
hoe en wanneer de diefstal/vermissing concreet heeft plaatsgevonden,
maar de vervoerder moet wel informatie verschaffen over de feiten
en omstandigheden van het vervoer in het kader waarvan het verlies
zich heeft voorgedaan.
Kortom: Naast het nemen van voldoende
voorzorgsmaatregelen en een deugdelijke vastlegging daarvan ten
behoeve van de latere bewijslevering, wordt eigen onderzoek na
een incident steeds belangrijker om te kunnen voldoen aan de ophelderingsplicht.
Recht toe Recht aan, nr. 4 2007
Mr S.L. Braam, Van Benthem & Keulen
e-mail:sbraam@vbk.nl
tel. : 030-2595537